Een kleine knaap: hij komt koel water halen Voor zijne Moeder, uit de diepe bron.
Van den ochtend tot den avond vele malen.
Hij lacht... ik dacht, dat hij ’t niet dragen kon.
Maar hij zal het nooit weten. En wat zou het hem baten, wanneer hij het wist? En wat baat het mij, dat ik dit kwatrijn heb opgeschreven en dat ik andere kwatrijnen heb opgeschreven? Hoeveel Eeuwigheden zijn besloten in het oogenblik tusschen onze ontmoeting en dezen brief naar Holland?
Was het juist nu niet tragisch, dat hij in de Jeruzalemse werkelijkheid de facto alles mocht bereiken, waarnaar hij ooit had verlangd en gestreefd? Hij werd weer de vrome knaap, die dagelijks sjoel ging als eens in Zaandam en toch ongezien en ongestraft mocht stoeien met ‘heilige’ knapen als eens in Bretagne.
Soms zelfs was hij de gazzen, die op de jaartijd van zijn moeder (en in de allerlaatste maanden: in het ‘oweljaar’ van zijn vader) voor het Omed mocht staan om bedachtzaam en altijd nog onwennig in de gebeden voor te gaan. Met die mooie, vreemde stem van de muzikaal gevoelige poëet, die in vroegere dagen met lyrische overgave kon luisteren naar de derde sonate van Beethoven, zoals Henriëtte Roll die altijd voor hem moest spelen. Voor hem, de dichter van Het vroegere Joodsche Lied, die nu mijmerde in de straten van de Heilige Stad. Een journalist, naar wiens stem de wereld luisterde, voor wiens woord men zelfs bang was geworden. Hij mocht als diplomaat in Petersburg en Parijs niet voor vol zijn aangezien, in dit Palestina kon hij triomfen vieren. Hij, die de bloedeloze groep van Reb Chaïm Sonnenfeld zou kneden tot een gevaarlijk instrument in de handen van handige Engelse diplomaten en sluwe Arabische Koningen, met wie hij - de zoon van de Zaanse gazzen - op den duur omging op het allerhoogste niveau. Hij, de vrome Jacob Israël, dichter, wijsgeer en jurist, die tenslotte ook nog... academisch docent was geworden.
Reeds in 1920 gaf hij colleges! Van een Hebreeuwse Universiteit had reeds Herzl gedroomd. Op 24 juli 1918 had Chaïm Weizmann op de Skopusberg, bij Jeruzalem (ter plaatse, waar eenmaal Titus zijn legerplaats had gevonden) de eerste steen gelegd voor een Joodse Universiteit, die in 1925ZOU worden geopend.
Tijdens het leven van Jacob Israël bestond in de Palestijnse hoofdstad een juridische cursus op universitair niveau (Law Classes), die 4 jaar duurde en waarvan de afgestudeerde cursisten zonder meer als advocaat werden toe-
263