dikwijls uitnoodigen. Ik vrees, dat ik over een of twee jaar weer terug zal komen naar Holland. Maar dan zal ik toch altijd naar dit land verlangen. Enfin: we zullen zien, hoe ’t gaat.
Ik krijg de Groene geregeld. Je polemiek met Dr. Van Oppenrooy heb ik gelezen. Ook wat je hebt geschreven over Ten Kate. Ik ben nu bijna net zoo oud, als jij was, toen ik je voor ’t eerst ontmoette. Ik zou toch ook wel graag weer in Holland zijn. Dat is het ongeluk van ons geslacht.
Gekoesterd heimwee en gecultiveerde onrust blijven de polen van zijn levenspatroon, dat zich mede daardoor niet meer in reële categorieën voltrekt. Dichterlijke dromen, daden en driften kunnen nu eenmaal niet worden gemeten naar normen, die - ontleend aan een normale levenspraktijk - alleen daardoor in stand worden gehouden. De Jacob Israël de Haan tussen 1920 en 1924 leeft symbolisch verder. Wat anderen hem verweten en verwijten, dringt niet of slechts vaag door de glazuren wand van zijn venijnig, nijdig proza en zijn smekende kwatrijnen. Hem, deze ‘woord-danser’ was slechts het dichterschap gebleven.
Voorbij was na 1919 alles - alles. Alleen de intuïties werkten nog, de instincten, heel zijn fijnvertakte artistenapparatuur, die hem - hij weet het, hij ‘ahnt’ het - toch niet kan helpen. Helpen, waarmee, waaraan, waarom?
Hoe scherp voelt hij dit aan, als hij eenmaal schrijft:
De waterbron. Wij hooren haar donker, eeuwig (o, daar glimlacht de Eeuwigheid!) geruisch in de diepte, Wij dalen af, voorzichtig langs de steenen trap door de eeuwen geslepen. Ik leg mijn hand waar het levend water breekt en valt in een bekken, dat geen menschen hebben gemaakt. Waarom ben ik zoo ontroerd bij een bron, die breekt. Bij een roode rozenstruik in een schaduwdal. Bij een kind, dat slaapt en bij een glas rooden wijn, waarin de zon schijnt? Daar komt een Arabisch jongetje aangestapt, op hooge bloote pootjes. Hij komt water halen voor zijn moedertje. Een petroleum-blik vol, en dat is hier geloof ik, vijftien liter. Neen, wij behoeven hem niet te helpen. Hij kent de bron. Hij is hier al zoo honderd malen geweest. Hij kan het blik ook alleen op zijn hoofd zetten. Gelooven wij hem niet? Wat dwaze menschen! Wie zou hem helpen als er eens niemand bij de bron was? Kan zijn moeder wachten tot er iemand komt? Zij heeft het water noodig voor den tuin. En om de groenten schoon te wasschen, waarmee zij morgen naar de stad zal gaan. Hij stapt heen, evenwichtig en voorzichtig. Als ik thuis kom, zal ik dit kwatrijn voor hem opschrijven:
262