Weggedoken achter brandend berouw schreef hij op, wat onbekende stemmen hem voorzegden in pijnigende nachten, die zijn verleden niet konden doen vergeten. Wat was hij anders dan een instrument in de handen van onzichtbare duivelen. Maar toch! De bekroning van zijn studie in de rechten en het consequente Jodendom, dat door zijn Liederen straalde - dat alles drong als vanzelf dat wat geleefd was op de achtergrond. Er stonden in moeilijke uren nog altijd mannen naast hem als Rabbijn de Vries en Albert Verwey, die hem konden leiden. Toen luidden de beslissende jaren van 1917 en 1918 de catastrofe in. Hij ging en kwam aan. Intuïtieve geest als hij was, voorvoelde Jacob Israël de komende crisis terstond. Er was in die decembermaand van 1918 en die januarimaand van 1919 meer met en in hem geschied dan iemand kon vermoeden. Dichters hebben hun eigen dromen. Zijn veranderde gesteldheid sprak uit de kwatrijnen; zij zal nog duidelijker spreken uit zijn feuilletons. Wat aan het Joodse Lied restte op de bodem van zijn ziel was spoedig uitgeput. Door zijn verzorgd proza in het Handelsblad en door zijn gespannen korte gedichten sprak nu plotseling een andere man. Of was het weer dezelfde?
De artist in Jacob Israël was verrast over het succes van zijn artikelen en zijn ‘vierregels’, twee componenten, die zijn gehele laatste evolutie bepalen en illustreren. Het vertrek uit Nederland, het losmaken van zovele banden, confronteerde de anarcho-artist (had Verwey hem als dichter niet een ‘getemd anarchist’ genoemd?) op eenmaal met het enige instinct, dat hij - de gazzenszoon uit Zaandam - altijd had nagejaagd: de vrijheid!
De vrijheid van 1900, van 1903, van zijn reizen en tochten, waarvan hij eenmaal zong:
Banloos dwalen heeft een jongen van noode En een man van stad en landen de ruimte,
Hij jaagt naar vreugdens vogelvlug gepluimte Van ’t ochtendgrauw tot het laat avondrooden.
‘Vogelvlug’ - dat woord had altijd tot hem gesproken - met vogels had hij zich wel vergeleken.
EEN VOGEL
Een vogel floot en deze stoorde Stilte met zijn ongehoorde Tintelende fluit.
Die vogel floot voor zich alleen Uit hart en keel ten hemel heen Zijn hoog geluid.
260