keld en knoeierig metrum, verzen door een hortend en stootend rhythme tot rijmklankige prozabrokjes versplinterd.
Niet erg eerbiedig dat laatste. De dichter had het zich aangetrokken!
In latere jaren had Jacob Israël, daarom vooral in zijn proza, een geheel persoonlijke stijl beproefd. De bestudering der Taalwetenschap was op dit proces van onmiskenbare invloed geweest. Dit blijkt vooral uit zijn talrijke wetenschappelijke pubükaties, die nagenoeg alle over Significa handelen en daardoor reeds in zichzelf een strakheid van taal demonstreren, die opvalt. Veel eerder had hij - in Pathologieën - gestreefd naar een prozaverfijning, die de aandacht had getrokken. Ook al had de gekunstelde structuur van dit boek (naar Van Deyssels Het leven van Frank Rozelaar) hem het succes onthouden, waarop hij ten onrechte had gehoopt. Deze afwijzing was echter (zo had hij zelf terstond begrepen) niet alleen afhankelijk geweest van stilistische bezwaren. De decadente sfeer en perverse inhoud van de ‘Ondergangen van Johan van Vere de With’ hadden mede het eindoordeel bepaald. Zelfs was door Scharten (terecht en scherp) opgemerkt, dat dit kunstproza slechts uit des schrijvers homofiele neigingen kon worden verklaard.
‘Men herinnert zich het uiterst verfijnde proza zijner Pathologieën, homo-sexueel tot in het rhytme en de ineenschakeling der volzinnen, welke nooit met één “omdat” of één “want” de gedachte afronden, aldus vindend hun bevrediging-gevende oplossing, - doch steeds met meerdere “omdat”-ten en “want”-en de immer nog dorstende gedachte verder koesterden.’
Verwey had voor deze subtiele ‘Spielereien’ nimmer iets gevoeld! En Jacob Israël zelf zwoer later zowel Pijpelijntjes als Pathologieën af, toen hij in zijn uiterst beknopte autobiografie (geschreven t.b.v. Oosthoek’s Geïllustreerde Encyclopaedie, gedateerd n-10-1917) neerschreef: ‘Aan mijne vroegere letterkundige prozawerken hecht ik niet meer. Wel aan mijne gedichten.’
In zijn gedichten waren (en daaraan kon ook Scharten niets afdoen) in ongekend schone vormen Joodse sentimenten herboren, die voor hem een plaats hadden ingeruimd in de Gemeenschap der Zionisten. Ook hier bleven voor insiders de van hem bekende instincten aanwijsbaar, maar (zo geheel anders dan in zijn vroeger proza) in een dusdanig gesublimeerde vorm dat velen ze niet eens herkenden. Hadden Verwey of J. C. Bloem van de naaktheid van zijn Bretonse ‘Heilige’ geweten? Durfden of konden zijn Mizrachistische vrienden het wezen aanvoelen van zijn al te zinnelijke benadering der Mitswot?
259