De huizen langs de hoogten op in stapels,
En van de zee de eeuwig-brekende bron.
Dit is het lied, dat het mijne is. Met de vele alliteraties en de rijmende klinkers, die toch vanzelf dadelijk opvliegen.
Het is geen groote, geen wijze, geen drijvende kunst. Het is zacht en zinnelijk. Het bekoort, als de zeewind en de stille zee. Ik zou het vervolg van dit gedicht wel eens willen weten. Maar ’t is er nog niet: Daarom niet treuren.
In het Handelsblad van 17-5-1919 bespreekt hij het ontstaan van een kwatrijn over Generaal Storrs. We zien de dichtregels ongemerkt oprijzen uit het proza:
En dan, alleen zonder wacht, gaande rustig door de drijvende straat: Generaal Storrs. Hij wandelt. Hij houdt mij staande. En het is een groote emotie, te staan in de smorende Jaffastraat, waar het leven door heen drijft, met den Man, die door Gods wil, thans Heerscher is in Jeruzalem. Ook de Dichter van Het Joodsche Lied heeft zijn trots. Maar toch: Generaal Ronald Storrs, Gouverneur van de Heilige Stad Jeruzalem. Ik zou misschien wel willen ruilen. In twee woorden teeken ik den Generaal: Eerbied, Trots. Wij scheiden. Wat is zijn Droom, terwijl hij hier gaat door de driftige, dreigende Jaffastraat, waarin hij toch rust houdt, evenwicht tusschen de vele volken. Hij: Generaal Ronald Storrs, Gouverneur van Jeruzalem. Voor welke Daden heeft God hem nog bestemd! De duizenden, duizenden ontroeringen leg ik vast in dit kwatrijn:
GENERAAL RONALD STORRS
’t Leven drijft dreigend door de Jaffastraat,
Hij gaat, Generaal, eerbiedig en trotsch.
Wat is zijn Droom! Wat is zijn stoute Daad!
Heerscher der Heilige Stad, door de wil Gods.
Nog opmerkelijker is in dit verband zijn mededeling van 20 mei 1919:
Mijn beste, trouwe Vriend, je brief van 4 April. Je brieven komen wel aan, maar laat. Ik was heel blij met je brief. Weet je, wat ik met je brieven doe! Ik maak er kwatrijnen van. Ik behoef maar enkele woorden te verzetten en dan is er maat en rijm in. Wist je dat zelf! Later krijg je die kwatrijnen voor de krant. En dan herken je ze misschien niet eens.
Wij kunnen de overgang van brievenproza tot poëzie zelfs van nabij volgen
257