lijkste wel mijn lieve zoon kon zijn. En ineens, kras over de tafel heen, zegt de jongste en voortreffelijkste: ‘Dan bent u een verrader van het Joodsche Volk.’ O, ik ben niet boos geworden, gedenkend hoe ik zelf eenmaal in Holland (wat is Holland ver!) in ieder gezelschap de jongste en voortreffelijkste ben geweest. En dan: hij zei het in ons mooi en mild Hebreeuwsch, waarin alles goedaardig klinkt. Ik aanvaardde het als een symptoom. Is alles niet symptoom 1 Maar laten onze jongsten en voortreffelijksten bedenken, dat ieder uiterste, behalve uiterste verdraagzaamheid, thans gevaarlijk is. Maar och, zouden zij wel onze jongsten en voortreffelijksten zijn, wanneer zij dat bedenken konden 1
Wij houden moed. Door alle moeilijkheden heen zal het Joodsche Volk zijn taak weten te vervullen.
254