ting is. En ik ben op weg naar het Schaare-Tsedekhospitaal, ver buiten de stad aan den straatweg naar Jaffa. Ik weet den weg wel in den donker. Maar toch wilde ik dat de maan er was. Groot varen de wolken door den hemel boven de Stad. Aan open hemel staan de sterren. Maar plotseling de wolken weer daarvóór. De wind waait over het open veld tegenover het gebouw der Russen. Ik sidder. Wat is er? Wind en wolken boven een Stad. Moet ik daarvoor dan bevreesd zijn? Men heeft mij voorspeld, dat ik mijn natuurlijken dood hier niet sterven zal. Dwaasheid. Als ik den man twee piasters meer gaf, voorspelde hij mij een Joodsch Koninkrijk van Dan tot Beërsebah. Maar zie, - vóór mij op den weg. Een wolk? Het is donker en groot. Het beweegt. Het nadert. En terwijl het nadert wisselt het voortdurend van vorm. Breeder. Smaller, Langer, Korter. Paarden zijn het niet; het is laag bij den grond. En het gaat geluidloos. Zijn het Arabische roovers, die een aanval beramen op de stad Jeruzalem? Neen, het is een kudde schapen. Ze zijn nu nabij. Ze loopen op korte wollen pootjes geluidloos. En ze woelen voortdurend door elkander heen. De herdersjongen achteraan met zijn hond. Het gevaar is geweken. En nu maar stevig doorgestapt. De wind waait over de velden en vaart de wolken jagend langs den hemel boven Jeruzalem. Ik kijk achterom. Neen, er is waarlijk niets te zien, dan de kudde schapen, die verdwijnt, loopend geluidloos op hun korte wollen pootjes.
Om hem heen was de faam groeiende van een verrader - een ‘bogéd’. Hij had al vaker in het hotel Amdursky op zijn hoed een briefje gevonden, waarop dat hatelijke woord was geschreven. Het hinderde hem... Of lachte hij toch weer om de moordenaar en de schaduw van de dood? Zooals hij - ver vóór zijn Tesjoewa - had gelachen om de ketowem in het Kenau-park te Haarlem.
Hij lachte al lang niet meer, omdat hij zijn werkelijkheid helder voor zich zag; zo helder als alleen maar in anecdotes kan worden verwoord:
Laat mij nu voor ditmaal mogen eindigen met een ware anecdote, die wel aardig typeert. Verleden jaar heeft een vergadering van Amerikaansche Zionisten (waar zouden zij en hunne ouders wel geboren zijn?) besluiten genomen met betrekking tot exploitatie van het Heilige Land, die vrijwel neerkwamen op socialisatie en coöperatie. Ik ben het daar om allerlei redenen niet mee eens. Ik voel meer voor particuliere exploitatie met een ruime royalty voor de Gemeenschap. En ik had de stoutheid dit te zeggen in een gezelschap van goede Zionisten, waarvan de jongste en voortreffe-
253