- ook zijn pessimisme! hoe ongegrond dit ook zij...’ En de omstanders vielen hem bij; waaruit blijkt, dat de schrifturen van den heer De Haan ook in de kringen der Londensche Zionisten worden gevolgd, doch tevens dat men ze betreurt...
‘Het is als ten tijde der tien verspieders’, zeide de heer Landman, de alge-meene secretaris. ‘Ook die zagen het Land der Belofte vol vreeselijke gevaren, vol Enaks-kinderen tegen wie de kinderen Iraëls nooit zouden kunnen bestaan. Is niet het gevolg geweest, dat wij veertig jaren langer hebben moeten zwerven in de woestijn! Laat ons thans niet weder ontmoedigd worden, niet weder zwak zijn. Laat ons thans luisteren naar een Kaleb en een Jozua, dat wij het Beloofde Land mogen binnengaan!’
En in Jeruzalem! Rechtlijnige Joden, die niets van deze uitzonderlijke ar-tist begrepen, begonnen tegen hem te ageren. Hij schrok ervan - hij spotte ermee. Maar tussen schrik en spot scheurde herinnering zere plekken open. Weer voelde hij nekslagen en kaakslagen, nog voor de anderen daaraan dachten.
Eenmaal had hij geschreven (6-5-1919):
Gisteren heb ik mij laten waarzeggen. Dat gebeurt hier door mannen. Niet uit koffiedik maar uit zand. Men betaalt vooruit. De voorspellingen beginnen altijd heel somber. Maar als men dan nog iets meer geeft en nog iets meer en nog iets, dan blijkt het booze zand dikwijls voor herziening vatbaar. Ik geef een piaster, wat niet veel is. Dus wordt mij voorspeld, dat ik niet een natuurlijken dood sterven zal. Ik vind dat volkomen billijk. Voor een piaster kan men niet meer verlangen. Daar ik geen tijd meer heb, ook geen kleingeld en geen voorkeur voor een natuurlijken dood, laat ik het erbij. Maar, o wee, wanneer ik ’s avonds aan tafel deze voorspelling oververtel! Foei, mag ik zóó spotten, in deze ernstige tijden! Wat heb ik met dwaze waarzeggers te maken! Nu, nu, - ik beloof, dat ik morgen den waarzegger een roepie zal geven (die gaan hier ook, zes en een half piaster). Zeker zal hij mij dan voorspellen een keizerschap over den Joodschen Staat van Dan tot Beërsebah.
Er volgde nog een kort, navrant feuilleton:
HET GEVAAR
Avond en donkere maan. O, ik heb de maan nooit zoo mooi en zoo belangrijk gevonden als te Jeruzalem, waar zoo goed als geen straatverlich-
252