In één van onze vorige nummers hebben wij de aandacht gevestigd op het eigenaardig verschijnsel, dat onze tegenstanders zich teleurgesteld toonen, nu jerusalem en Juda niet in één dag kunnen worden opgebouwd.
Wij hebben er op gewezen, dat wij, Zionisten, niet teleurgesteld zijn door den gang van zaken. Wij hebben twintig jaren lang de mogelijkheid van de Joodsche renaissance vooropgesteld, maar hebben nooit vergeten te verzekeren, dat de opbouw van de nieuwe Joodsche gemeenschap buitengewoon moeilijk zou zijn en een proces van tientallen jaren.
Toch zijn er ook onder ons wel hooggestemde, maar naïeve zielen, die zich de zaken veel te mooi en veel te gemakkelijk hebben voorgesteld. Onder hen is Jacob Israël de Haan de meest bekende. Hij is in menig opzicht teleurgesteld in zijne blijkbaar te hoog gespannen verwachtingen en geeft nu in zijne brieven aan het ‘Handelsblad’ uiting aan die teleurstelling. Lezers hebben hem daarover geïnterpelleerd. ‘Lieve vrienden’, antwoordt hen De Haan, ‘ik schrijf zoo, omdat ook de werkelijkheid niet zoo blijde en hoopvol is, als ik had gedacht. Zoudt ge waarlijk willen, dat ik ter wille van de propaganda en discipline oneerlijk en op onrecht zoude zijn’’
De Haan heeft met dit antwoord te geven, volkomen gelijk; als reporter, als berichtgever, moet hij oprecht zijn. Als De Haan teleurgesteld is, is het zijn recht, van die teleurstelling te doen blijken. Maar dat Jacob Israël de Haan teleurgesteld is, dat is een fout, zijn fout. Niet de Zionistische propaganda is oorzaak, dat zijne verwachting te hoog gespannen is geweest. De dichter Jacob Israël heeft den Heer de Haan doen gelooven, dat de atmosfeer van Palestina inademen gelukkig zijn beteekent.
Wij, Zionisten, hebben er nooit een geheim van gemaakt, dat het land van Israël voor een groot deel nog woestenij is. In stede van dit te bejammeren, steunen wij de Pioniers, die het land steen-vrij maken en het diep wortelend onkruid uitroeien.
Wij wisten wel en hebben het luide verkondigd, dat er een geweldige arbeid noodig zou zijn om weer goed te maken, wat er op stoffelijk en geestelijk gebied opzettelijk was verwaarloosd in ons oude land en onder zijne oude bevolking.
Wij hebben dikwijls genoeg er op gewezen, dat de oude Jisjoew niet gesneden is uit het hout, waaruit men eene nieuwe natie opbouwt; ons volk is er op gericht geweest, de toestanden, onder de oude Jisjoew heerschen-de, te verbeteren.
Dat men van allerlei zijden tegen onze wenschen zou opponeeren, dat men bij de machthebbers tegen ons zou intrigeeren, wij hebben dat alles voorzien en verwacht.
249