tuurlijk niet te zeggen, dat tegen het veronderstellen van de mogelijkheid eener absolute waarheid ernstige ‘erkenntnistheoretische’ bezwaren zijn: er is natuurlijk een redelijke objectiviteit denkbaar. Maar indien onze medestander zegt, dat de toestand bij de Zionistische Commissie ten tijde van zijne aankomst een machtelooze warboel is geweest, dan is dit niet het verhaal van een gebeurtenis, doch het uitspreken van een uiteraard intens subjectief oordeel. Wij ontkennen ten stelligste, dat een dergelijk oordeel, goed of slecht, ooit er op aanspraak kan maken, de waarheid en niets dan de waarheid te zijn. De waarheden van Mr. de Haan hebben zich al te dikwijls in subjectieve oordeelvellingen geuit.
Wij zijn er altijd bevreesd voor, dat aan het Zionisme een universeele be-teekenis wordt toegekend; de beteekenis van te zijn een streven, dat de verlossing der menschheid en de genezing aller aardsche kwalen hoopt te verwezenlijken. Wij doen de grootschheid der Messiaansche gedachte niet te kort, wanneer wij ons vooralsnog er toe bepalen, in het Zionisme alleen te zien een actie van geheel beperkte strekking. Wij willen niets, dan ons volk behouden, door het normale levensomstandigheden terug te geven. Wij zouden dit willen, ook al waren wij niet overtuigd, dat dit volk een complex van hoedanigheden bezit, dat men als bijzonder hooge ‘Kultur-fahigkeit’ kan aanduiden. De wil tot behoud van het eigen volk is niet afhankelijk van de immers wisselende koerswaarde zijner hoedanigheden. Daarom is het Zionisme voor ons een eenvoudig, practisch, bijna primitief streven.
Het is voor ons heilig, als een eerlijk en oprecht streven, waarbij het belang van het individu geheel in dat der gemeenschap wordt opgelost.
Nu is er wel altijd een verschil tusschen leer en leven. Bij een beweging met universeele doeleinden treft dit verschil echter pijnlijker dan bij eene beweging met een beperkt practisch doel. Men behoeft geen pessimist te zijn, om te weten, dat in elke beweging slechts een fractie aan den eisch van ‘heiligheid’ voldoet. Het is echter bijzonder ongerijmd te verwachten, dat de nieuw ontstaande gemeenschap in Palestina daarin ook maar eenigszins afwijkingen naar de kant van de grootere heiligheid zou vertoonen. Wij hebben bij een vroegere gelegenheid zelf trachten aan te toonen, waarom men eer het tegenovergestelde, althans in het begin dient te verwachten. Daarom komt de teleurstelling van Mr. de Haan over den onheiligen geest in een gedeelte van den nieuwen Jisjoew uitsluitend voor zijn rekening.’
Eerder, op 24 oktober 1919, had de redactie van het officiële Bondsorgaan geschreven:
248