hem blijken te zijn gecollationneerd. Het staat ook vast, dat de dichter althans één proef onder ogen heeft gehad en dat deze proef daarna de drukker heeft bereikt. Dit blijkt uit een aantal verbeteringen, die in de proef door de dichter zelf moeten zijn aangebracht.
Niettemin zijn de teksten zoals zij in de bundel zijn afgedrukt op vele plaatsen gehavend.’
Het is, alweer volgens Lekkerkerker, ‘niet duidelijk, waarom de dichter de proef zo vluchtig heeft gecorrigeerd, terwijl hij gewoonlijk toch van zo grote zorgvuldigheid blijk gaf.’ Het schijnt ons niet twijfelachtig, dat De Haan in deze gebundelde verzen definitief afscheid heeft genomen van een machtige fase uit zijn leven. Nog eenmaal was hij (of niet meer!) de schepper van Het Joodsche Lied. Zelfs de conceptie van de tweede bundel doet denken aan het roemvolle eerste boek, dat buiten hem om, in hem, was ontstaan en dat furore had gemaakt. Wéér het Joodse Jaar, de Bloemendagen, de Joodse vrienden en de Tijdzangen, die hem terugvoerden naar de dagen van 1915 en 1916.
De vroegste gedichten uit de nieuwe bundel dateren uit dit laatstgenoemde jaar! De meeste van de nieuwe selectie ontstonden tussen 1916 en 1919. Slechts enkelen werden geboren na de catastrofe van zijn aankomst in Jeruzalem, dat hij in een van zijn schoonste liederen had bezongen, dat daar nu - min of meer ontdaan van vroegere glorie - stond gedrukt op pagina 101 van die tweede, goedkope bundel. Hoe had dat als een stuk mo-dern-nationaal chazzones geklonken uit het Vijfde Jaarboek van de N.Z.S.O. in 1918!
Zeker, ook nu nog waren gedichten opgenomen, die toch nog in 1919 en later in De Joodsche Wachter mochten verschijnen. Maar hoe! Hij voelde fijn en scherp! Ze stonden er als wezen zonder vader. Het scheen alsof deze poëzie hier geen bestaansrecht meer had. Dat ze nog geaccepteerd werden, moest worden begrepen uit prudent journalistiek beleid. Men was bang geworden voor hem.
Opzettelijk lijkt het, als óp 2 januari 1920 ‘Het eerste Joodsche Schip’, wordt gedrukt onderaan op pagina 2 van het nummer, typografisch letterlijk verdrukt door F. Bernsteins liefdeloze artikel ‘In eigner Sache’, één snerpende aanval op Mr. Jacob Israël de Haan van het Algemeen Handelsblad.
‘Mr. de Haan doet het voorkomen, alsof wij wilden, dat hij de waarheid verzwijgt. De oorlogvoerende staten hebben zulks van hunne burgers ge-eischt, doch wij hebben dit altijd een slechte tactiek geacht, omdat zij geen vertrouwen inboezemt. Wij verlangen allerminst, dat Mr. de Haan ook maar iets verheimelijkt. En nu behoeven wij den philosoof de Haan na-
247