Joden’. Hoe natuurlijk dit contact voor de zoon van een gazzen, die als Baltesjoewe welkom was in dit midden. Wat wisten zij van zijn jeugd en zijn zonden! Wat van zijn gemengde huwelijk, dat hij angstvallig geheim hield. Tot een uit Nederland afkomstige chaloetsa zei hij eenmaal: ‘Als jij vertelt, dat ik met een sjiktse ben getrouwd, vermoord ik je.’
Hij was nu terug naar zijn jeugd. En niet alleen in zijn gedichten! Smilde, Gorredijk en Zaandam konden herleven in de straten van Jeroesjalajim, waar hij - de toekomstige minister der orthodoxe, echte Joden - dan toch hoog te paard zou komen te zitten. Hij zou politiek bedrijven en, als in zijn leven en zijn woorden, uitersten verbinden: voltooien cn vernietigen - orthodoxe Joden en Arabieren. Hoog te paard - in reële categorieën - zou hij ‘El Kudsj’, De Heilige Stad, binnentrekken als de Oosterse vorst in het Zaandam zijner jeugddromen, waar zijn vader gazzen was geweest.
Aan Van Eeden (7-12-19):
Mijn allerbeste, allertrouwste Vriend, wat heb ik in eenen langen tijd niet van je gehoord! Maar ik lees de Groene en probeer mij voor te stellen, hoe alles in Holland gaat. Sneeuw en ijs. Hier regen en wind. Maar ook mooie zonnige dagen. Ik zit boven op een Arabisch paard. Hans heeft je zeker de foto gegeven! Toch is dit alles niet wat ik zocht. Dat heb ik niet gevonden. Maar ik twijfel soms of het gevondene niet beter is.
En 5 november 1919:
Vannacht voor ik naar bed ging heb ik in de maneschijn gewandeld met een jongen Arabier, die heel goed Engelsch leest. En veel van jou gesproken. Ik houd veel van de Arabieren.
Het Oriëntaalse boeit hem die al vroeg op weg is een Joodse T. E. Lawrence te worden; op 23—5—1919 (gepubliceerd 26-6-1919) schrijft hij in een opstel over Joodsche Politiek, sprekende over de Zionistische ‘verovering van de arbeid’: ‘Ik geloof niet, dat de verovering van den arbeid op de Arabieren een ernstig Zionistisch programpunt is. Het is eigenlijk een bekoorlijk woord voor de broodeloosmaking van een geheele bevolking. Is ze mogelijk? Wij zouden daarvoor honderdduizenden idealisten noodig hebben, niet alleen bij de werknemers, maar ook bij de werkgevers. Trouwens, van Arabische loonen zouden Joden toch niet kunnen leven. Joodsche fondsen zouden het ontbrekende moeten bijpassen, gelijk het Joodsch Nationaal Fonds in zeker opzicht reeds doet. En den Arabischen arbeid geheel te veroveren zal ons
244