Het is overbodig voor u uiteen te zetten, dat Palestina niet - althans niet direct - geëigend is voor massa-immigratie. Voor eene steeds toenemende immigratie moet Palestina voorbereid worden. Voor de beroepen, die aanvankelijk het meest passen aan de behoeften van eene Joodsch Nationale Kolonisatie - de landarbeid - moeten de Joden voor een deel nog geschoold worden. Dit alles eischt tijd en eene speciale organisatie. Hoeveel schuld treft hier niet diegenen, die zich steeds afzijdig hielden van ons werk! Welke achterstand hebben wij - doch bovenal zij - hier niet in te halen! Wat ons in deze tijden echter meer bezig houdt dan de organisatie der immigratie, zijn de politiek-economische grondslagen, waarop de arbeid in Palestina rusten moet. Eerst moeten deze er zijn, eer aan eene georganiseerde immigratie kan gedacht worden.
Het is deze arbeid, waarmee men zich, hoofdzakelijk in Engeland, bezig houdt en die in den loop van ruim een jaar in een geheel ander stadium, dan voor den oorlog is gekomen.
Nationalisme van een verkoelende distinctie. Dit moest afgelopen zijn! Hij speelde satanisch verder: hij zou afmaken en afmaken, voltooien en vernietigen. Alles, allen, als het moest ook zichzelf. Want hij was... eerlijk én moedig.
Zo begonnen zijn kritische feuilletons in het Algemeen Handelsblad; de economische basis ook van zijn maatschappelijk bestaan. En niet eens een geringe! Want zij werden al spoedig verslonden door een zich steeds uitbreidende kring van lezers.
Op 13-5-1919 schrijft hij Van Eeden:
Beste, trouwe Vriend, hartelijk dank voor je lieven, langen brief van 11 Mei. Ik ben blij, dat je mijn brieven goed vindt. Ik krijg heel veel brieven van bewonderende lezers. Meestal vragen ze er dan Palestina-postzegels bij. De krant heeft mijn salaris gebracht op ƒ 6.000.— per jaar. Ik heb ook al een verzoek van een uitgever of hij er een boekje van maken mag. Ik zeg: gerust, als ik maar geen drukproeven hoef na te kijken. En de helft krijg van de netto winst. Ik was verrast over je oordeel over mijn proza. Juist wat ik zelf dacht. Ik denk dit werk twee jaar te doen. Dan heb ik wel ’t meeste mooie hier gezien. En ik wil niet verslappen. In het voorjaar van 1921 hoop ik naar Holland te komen, als het kan over Constantinopel. Ik zal dan zien wat verder te doen.
Het was voor de meesten zijner Joodse vrienden een vreemde ervaring dat
241