De zoon van een gazzen

Titel
De zoon van een gazzen

Jaar
1967

Pagina's
414



soonlijkheid eigen wegen had gezocht en gevonden naar Zion, die zich niet konden voegen in de ontwikkeling van het moderne, politieke Zionisme!

Zeker, dit was de diepere kant van het probleem, dat in de komende jaren duidelijker zichtbaar zou worden dan zelfs zijn politieke tegenstanders in Nederland ooit voor mogelijk hadden gehouden. Maar - en dit blijft ook voor het leven van deze zonderlinge man merkwaardig - waarom gebeurde dit alles zo onherroepelijk snel, dat er na een week uit de dichter van Het Joodsche Lied een vijand bleek gegroeid van de gehele Zionistische wereldbeweging, die na 1917 en 1919 een politieke strijd was begonnen om Palestina, dat nu - na alle rampen van eeuwen en jaren - het werkelijke vaderland der Joden zou en moest worden.

Alle bronnen spreken van de verpletterende ontvangst van de dichter op de Zionistische bureaux, waar hij reeds de dag na zijn aankomst verscheen om zijn krachten aan te bieden. Theatraal klonken zijn woorden: ‘Ik ben de dichter van het Joodse lied. Van nu af aan stel ik mijn grote capaciteiten geheel ter beschikking van het opbouwwerk.’ De reactie van de Amerikaanse ambtenaar zou ongeveer hebben geluid: ‘Het opbouwwerk kunnen we zelf wel af; zorgt U nu maar.dat er geld in het laadjekomt...’

De onpsychologische confrontatie met deze atmosfeer was onverdragelijk voor de eerzuchtige gazzenszoon, die na een afschuwelijk-moeilijke levensgang, tussen 1917 en 1919 - op het toppunt van zijn kunnen - naar twee zijden had moeten ondervinden, dat zijn Werdegang niet vergeten was. Zijn troebele jeugd vooral, die onuitputtelijke, creatieve bron van zijn dichterlijke ervaringen, waarin als Joodse potenties wroeging en berouw bleven werken. Typerend voor een Ba’al Tesjoewa van het fin de siècle, die daarop zelfs prat gaat.

Aan Van Eeden (9-7-19):

Mijn allerbeste trouwe Vriend, twee brieven van je: 4 en 23 Juni. In de zaak van Kloos heb je volmaakt gelijk. Kloos heeft vroeger zeker meer van de mooiste Nederlandsche gedichten gemaakt. Daarna is de wilde tijd gekomen. En daarna heeft hij heusch zijn best gedaan om weer fatsoenlijk te zijn. Maar het is een oppervlakkig gepomadeerd fatsoen. Niet het machtige berouw, en de geweldige wroeging. Maar de absolute impotentie. Hij heeft geen beteekenis meer, evenmin als Van Deyssel.

Op de keper beschouwd hadden nu beide levensfronten, waarop hij had geschitterd, hem afgewezen: de Universiteit en het Joodse Volk. Twee

238

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition).
Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen.


Weergave
Afbeelding / Tekst (OCR)

Alle boeken in deze digitale bibliotheek kunt u gratis lezen of downloaden. Met een vrijwillige donatie helpt u ons met het in stand houden en verder uitbreiden van de bibliotheek. Klik hier als u een bijdrage wilt overmaken.