Uit Napels schrijft hij Van Eeden (2-2-1919):
Beste Vriend, ik schrijf je dezen brief uit Napels, uit mijn hotel, dat uitziet op zee. Ik weet niet of ik leef, of dat alles een droom is. En ik weet ook niemand, die het mij vertellen zal. Over een paar dagen ga ik denkelijk hier vandaan met een groot Engelsch steenkolenschip naar Port-Said. Echte passagiersschepen zijn er niet.
Later, als alles bezonken is, zal ik je meer kunnen schrijven. Heb je de brieven verbrand, die je van mij hebt? Bewaar ze niet. Nieuwsgierige domooren zullen er na onze dood genoeg zijn. Doe je ze vooral weg?
In Parijs heb ik een Groene gevonden met het gedicht. Ik neem het nu overal mee.
Ik heb den redacteur van de Nuova Antologia gesproken. Hij herinnerde zich de vertaling van den Kleinen Johannes zeer goed. Ik krijg er misschien nog een voor eenen Italiaanschen officier, dien ik in den trein heb ontmoet en die letteren studeert in Bologna. Als hij ooit in Holland komt, dan komt hij je bezoeken.
Kom je vooral geregeld bij Hans? Schrijf mij ook. Ik denk altijd aan je en ook aan Bertus en Henriette en aan allemaal.
Uit Cairo (16-2-1919):
Beste trouwe Vriend, sinds eenige dagen zit ik hier in Cairo. Ik wacht nu alleen nog permissie om naar Jerusalem te gaan met een militairen trein. Ik ben niets vergeten van al de liefde en genegenheid, die je mij zooveel jaren bewezen hebt. Kom gauw eens naar Palestina. Hierbij zend ik je een aantal kwatrijnen voor De Groene. Wil je ingesloten brief aan Van Holkema geven? Later krijg je een langen brief. Ik ben nu zes weken op reis en wel wat verreisd. Veel veel liefs aan allen: Bertus, Mannoury, Borel (die ’t niet verdient!) Henriette, de familie op Walden, allen, allen. Schrijf mij naar Jeruzalem poste restante,
Dag, Joop
Eindelijk komt de permissie en voltooit het treintje de laatste étappe van een reis, die toentertijd wel andere problemen stelde dan onze kinderen vandaag nog voor mogelijk houden. ‘Mijn bril en mijn horloge zijn gebroken op zee. Mijn paraplu in gedrang bij de douane. Jullie zijn natuurlijk allen stomverbaasd, dat een stoethaspel als ik ben goed en wel in Jeruzalem is aangekomen...schrijft hij Van Eeden.
Van alle emoties worden we tot op het allerlaatst op de hoogte gehouden:
232