Ik ben niet meer dan een half uurtje van Jeruzalem af. Ik, de Dichter van Jeruzalem en Zion, ik de Dichter van Het Joodsche Lied. En ik beleef het zoo rustig. Het rare treintje rolt zoo in-goedig. En dit is nu het groote gebeuren van mijn leven. De eerste huizen van de stad. Ik sluit mijn oogen. De jaren van mijn jeugd liggen als open wegen. En ik beleef dit: Zaterdagavond in de kleine synagoge in de kleine stad, waar wij kinderen zijn geweest. De gebeden, waarmee de vromen hunnen Sabbath uitwijden. Dan deze woorden: ‘Juicht en jubelt, gij die woont in Zion, want machtig is in uw midden de Heilige van Israël.’ En ik zweer het mijn Land en mijn Stad toe, dat ik niets tegen de Heiligheid van Israël te Zion zal doen.
Het rare treintje schokt stil. Ik ben te Jeruzalem. Ik ben thuis.
Dodelijk vermoeid arriveert hij in de stad van zijn dichterlijke dromen. Nu zal het eindelijk geschieden en zullen de notabelen zich opmaken om hem te ontvangen, die in het uiterste Westen de stem van zijn Stad zo duidelijk heeft gehoord! Het kan niet missen, want hij heeft telegrafisch de Zionistische bureaux van zijn aankomst op de hoogte gebracht. Maar er is niemand aan het stationnetje om hem te verwelkomen. Waartoe ook? Wie van de oude, gevestigde Jisjoew kende hem? Wie van de wordende nieuwe?
Neen, dit is geen koninklijke intocht van den Dichter van Het Joodsche Lied te Jerusalem.
Het station is onbeduidend. Het regent. Het waait en het is koud. De plei-zier-reizigers kennen de zengende zomers van Jerusalem niet. En zij kennen de winters van Jerusalem niet. Ze komen in het zachte stille voorjaar of in het milde najaar. Maar ik verzeker u, dat het hier stormen en regenen kan. Daarover zal ik u later meer schrijven.
Neen, koninklijk is de intocht niet. Een trage Arabier heeft wel de goedheid zich te willen belasten met mijn koffers. Hij laat ze dadelijk in de modder vallen. De twee pakken voor de Amerikaansche Zionisten houd ik dan maar zelf. En zóó gebogen in den storm, die de regen tegen ons aanslaat, gaan we naar de Stad. De wegen zijn geen straatwegen. Grint met groote keien en groote kuilen. Jerusalem ligt gebouwd op heuvelen. Van de heuvelen druischt het water neer. De straten ruischen. Zij ruischen in den letterlijken zin van het woord. Ze hebben watervallen en beken. En daar stappen we ongestoord doorheen. Ik sta doodsangsten uit voor mijn lorgnet. Als hij stukwaait kan niemand in Jerusalem hem vervangen. En niemand in heel Palestina niet. En ik kan hem niet afzetten. Want ik heb in iedere hand dat onschuldige pakje met hemden, boeken en linnengoed. Neen: koninklijk is het lang niet.
233