zend jaar, wanneer de Aarde een millimeter verder is gevallen in de Eeuwigheid 1 Dowson - Verlaine. Londen - Parijs. Altijd de Dichter en de Groote Stad. Zóó roept de eene herinnering de andere op. Alle verlies en alle winst is maar schijn. Jaren geleden, wel zeventien, achttien jaar, las ik in de Revue des deux Mondes een artikel van ik weet niet meer wien over een bretonschen Dichter Emile Péhant, een van de Droomers, die te Parijs zochten. Wien? Wat? Wie zal ooit uitspreken, wat de Droomers zoeken en vreezen in de Groote Stad? Maar dwalend, waar de regen vredig mijmert, beleef ik het. Emile Péhant: de naam, die misschien niemand in Holland kent, roept zich door mijn ziel heen. En nu schrijf ik het op, terwijl de auto’s, de kubistische, de dolle, de futuristische auto’s, den Tijd kapotslaan voor mijn raam. En ik vind geen woorden voor al deze ontroeringen.
Er is maar één plaats, waar hij de stem van Parijs niet verneemt: Dat is in de kleine synagoge van de Rue Cadet. Verleden week was ik te Londen, in de synagoge van West-Hampstead. Grooter, weelderiger, rijker met beschilderde ramen. Hier is alles eerbiedig en stil. Gods licht is zuiver gelaten. Geen ramen op zijde in de wanden, maar glas in het lage dak. De banken bruin. De gewijde behangsels en andere kleeden donkerrood. Een kachel in het midden. En daaromheen als ik vroeg kom, een groep van Zonen van mijn Oude Volk, die niet zoo heel veel Fransch hebben dan de woonplaats. Een heeft een baret op: de oppasser. En ik vraag hem, in het He-breeuwsch, of hij ook een plaats vrij heeft? Ja zeker, hij geeft mij een goede plaats. Hij ziet mij .wel als vreemdeling aan in Parijs. En hij vraagt in dat gewijde Hebreeuwsch, waarin men steeds spreekt in den derden persoon: ‘Uit welk land is mijnheer afkomstig?’ En omdat hij zóó voorkomend spreekt tegen mij, zoo antwoord ik lief en eerbiedig: ‘Uw dienaar komt uit het land Holland en hij is reizend naar het land van Israël.’ En dan kijken ze allen verheugd. En ze vragen: hoe en waarom? Of ik er blijf, wat ik er doen ga, of ik er al eerder ben geweest? En ik antwoord: neen, geweest nog niet. En waar ik dan geleerd heb Hebreeuwsch te spreken? O, zeg ik, in Amsterdam. Daar spreken de meeste jongeren veel beter Hebreeuwsch dan ik. En, zeg ik, mijn meester is de heer L. Straschun geweest. Ik zeg dat opzettelijk, omdat ik weet, dat er groote geleerden van dien naam in Rusland zijn geweest. En de meesten zullen wel uit Russisch Polen komen. Wat, zegt er een: is hij uw leermeester geweest? Die in Wolodzin in de Leerschool was? Ik zeg: ja. Wel, roept de man, verheugd, dat is toevallig. Ik heb met hem in één klas gezeten. ‘En Bialik ook?’ vraag ik weer. Ja zeker, zegt hij Bialik ook. En hij schudt zijn hoofd van vreugde over zóó een geval. En
226