tot de dienst begint vraagt hij van alles en nog wat. Dan ben ik daar heele-maal geen vreemde meer. Ik zit tegenover een heel ouden, heel vromen man uit Tripolis. Hij is heel arm, maar heel geleerd. En omdat wijsheid bij ons hier meer telt dan rijkdom wordt hij heel eerbiedig behandeld. Zo eerbiedig als de Rabbijn zelf, die ook heel oud is. Als de dienst geëindigd is, gaat ieder hem de hand drukken. Ik ook. En ik zeg eerbiedig: ‘Een goede Sab-bath, mijn Meester’. Hij ziet mij aan. Wat ziet hij, dat ik verbergen wil? Zijn oogen zijn donker, jong en sterk in zijn smal gelaat. De baard wit. En hij draagt een ronde muts, zwart rondom donker verschoten rood. Maar God helpt mij zijn blik te doorstaan. En hij zegt ook mij zijn groet.
En omdat ik een reiziger ben naar Jeruzalem en omdat zij toch ook wel zien, dat ik niet van het plattelandsvolkje ben, daarom word ik nu met lieve eerbewijzen overladen. En wat Amsterdam in de Joodsche wereld nog steeds bemind is, een tweede Jeruzalem! Zij vragen naar den Opperrabbijn. Zij vragen naar onze rabbijnen. Zij vragen naar Doctor Dünner (zijn gedachtenis zij gezegend).
Hier zwijgt de Stem van Parijs, hier in deze kleine synagoge, op een binnenplaats van de Rue Cadet. Hier eindigt mijn Tocht door Parijs. Want langs de wegen der gebeden gaat mijn ziel Gods eeuwigheid binnen. Parijs bestaat niet meer. Er is God. Er is mijn Ziel. Al mijn boete en schuld. Al mijn dwalingen en mijn hartbrandend berouw.
Carel Scharten heeft ons, Joden, eenmaal, de eeuwige Vreemdelingen genoemd. Ik vergeef het hem gaarne. Overal vreemdeling. Overal thuis. Maar ik wensch het mijn lieven vrienden toe, zoo ontvangen te worden, als ik daar ontvangen werd. Alleen omdat ik mij opmaak uit het land van mijn Geboorte, uit het Land van mijn verwantschap. Om te gaan wonen daar, waar wij zeker geen vreemdelingen zijn?
27-1-19.—
Een politieke droom herleefde in de naïeve schoonheidszoeker, die hem deed denken aan de grote reizen van Rusland; een droom waarin het decadente Parijs evenzeer een nog altijd niet doorzichtige factor van betekenis had uitgemaakt. Maar het Tsaristische Rusland was verdwenen; heel de wereld was gewijzigd. Welke rol zou hem, de Dichter, thans zijn toebedeeld in de centra der wereldpolitiek? Hij praatte onrustig voort, deze reizende ambassadeur van zijn Joodse volk, maar als zodanig door niemand erkend - laat staan benoemd:
Neen: de eerste rangs acteurs, die krijgt men zoo gemakkelijk niet te spre-
227