De Stem van Parijs: is dit de stem van Parijs na de stem van Londen’ Het jaagt voorbij mijn huis als een zee in een woedenden wind. Ik ben stadsziek bij tijden.
O, wat heb ik Parijs liefgehad! Londen, dat was het donkere, sombere, waar de zeebooten heengingen, die ’s nachts vertrekkend, hun kreten uitwerpen over de kleine stad, waar wij de kinderen van onze Moeder waren. Maar Parijs: dat was het lichte, het blijde, het verleidende, ofschoon vol van zonden. Gretige knaap was ik, die gaarne Fransch leerde. Die jong al waar-deeringen en verlangens had: Verlaine, De Heredia. Lach niet te luid. Een jongensziel is niet gauw gevuld. Later: het eerste komen in Parijs: dwalen langs Boulevards, Champs Elysées, de buitenbuurten door. Ontmoeting met de bewonderde Franscheschrijvers. Met RémydeGourmonthetmeest. Een tocht door Parijs. Wat wordt de Stad in den avond vroeg stil en donker. Behalve dan in de enkele straten waar nacht- en avondleven hevig heerscht. Het is avond, wanneer ik voor het eerst de Seine wederzie. Ik kom door de Rue du Faubourg Montmartre, de Hallen door, waar het spookt. Over een brug, ik geloof de Pont-Neuf. In de verte en dichtbij spannen andere bruggen hun lijnen van licht. Onderdoor loopt het water. Licht en water spelen met elkander in de diepte. Een hemel, donker, gesloten, zonder sterren of lichtschijn. Aan de overzijde de Place-Saint Michel en de boulevard, waar ik heenga. Er is niets dan de Stad, Hemel en Regen. En mijn ziel, die aanvoelt.
Dit is het gevoel:
‘II pleure dans mon coeur Comme il pleut sur la ville,
Quelle est cette langueur Quipénètre mon coeur’’
Verlaine! En zoo zeker, als ik vriend en vijand herken, zoo zeker herken ik het gevoel, dat ik noem: de Dichter tegenover de Groote Stad. Zoo ergens, dan beleef ik Gods Eeuwigheid hier in de Groote Stad, waar alles aardsch schijnt, wereldsch, drijvend naar eer en winst. Ja:
‘Het leven wisselt eeuwig, maar de droomers Zien wat nooit wisselt in ’t onvast vertier.’
Zooals ik Ernest Dowson voelde te Londen, die gedichten: To one in Bedlam, Nuns of the perpetual adoration, zóó Verlaine in Parijs. Het regent, weemoedig, zonder wind. De boekenbakjes op de kademuren dicht, vangen hier en daar wat schamel licht van een lantaren. En overal de drift van het leven. Ik ga maar mijmerend voort. Kon ik den Tijd nu weg denken. Wie zal mijmerend langs de Seine gaan over honderd jaar, duizend jaar, honderddui-
225