in Londen. De reuzenstad had hem altijd geïnspireerd. Had hij niet eens (8-4-1912) in dichterlijke vervoering geschreven aan Albert Verwey:
De groote stad wordt klein als men het eenerlei van haar verfijnde ronde eenmaal betreden heeft en de dag herhaalt den dag in denzelfden ommegang van genietingen.
Genietingen...
Hij dacht aan zijn nóg vroegere contacten met Engeland, het Engeland van Oscar Wilde en Alfred Douglas (aan welke laatste hij eens een exemplaar had geschonken van Pathologieên met eigenhandige opdracht: ‘Je donne ce livre a Lord Alfred Douglas, paree qu’il est 1’ami d’Oscar Wilde et le poète le plus pénétrant - Amsterdam, Hollande, 14-7-08.’
Dat was lang geleden, 1908! Als 1904 een significant jaartal in zijn leven. Was alles niet in wezen hetzelfde. Was hij nu niet weer journalist als in de dagen van vóór Pijpelijntjes. Zeker, er was een materieel verschil. Nu had hij een mooie perskaart van het Handelsblad:
Les soussignés, directeur et rédacteur en chef du ‘algemeen handelsblad’, déclarent que
Monsieur Jacob Israël de Haan, docteur en droit est nommé correspondant de ce journal pour la Palestine.
Le rédacteur en chef: Amsterdam, le 25 novembre 1918
J. Kalff jr. Le directeur: A. G. Boissevain.
Maar wezenlijk! Hij was nog steeds dezelfde!:
De Dichter en de Groote Stad: zij die de Engelsche letterkunde beter kennen dan ik haar ken, mogen weten welke beteekenis Londen, de donkere, sombere Stad voor de Engelsche dichters heeft gehad. Wie er zijn aangelokt. Wie Londen hebben veroverd voor eenen korten tijd: Oscar Wilde. Wie als vuil in een fornuis door de Stad werden vernietigd. Gij weet, dat Hedwig Marga de Fontayne, de Vrouw uit Van de Koele Meren des Doods door dit Londen is hééngegaan.
De Dichter en de Groote Stad: het is niet toevallig, dat ik zóó door de gedichten van Dowson werd bekoord. Ik lees nooit een boek, dat ik zoo toevallig tegenkom.
222