‘gebod’ in den heidenschen zin des woords, waartoe men wordt gedwongen door geweld of bedreiging met geweld. Neen, het is een Mitswa (= voorschrift) in den Joodschen zin des woords. Een gebod, waartoe men wordt gedwongen door zijn innigste levenskrachten zelf.
Twee dingen zie ik thans als den feitelijken weg van iederen Zionist. Ten eerste, te blijven waar hij is, zoolang hij zich in Erets Jisroëil geen behoorlijke bestaansmogelijkheid heeft verzekerd. Daarzonder er op uit te trekken zou ongezond zijn, daarbij onverantwoordelijk tegenover ons Volk, tegenover de Zionistische beweging en tegenover zichzelf. Ik weet het, en ik gevoel het, nu ik zelf kan gaan, hoe zwaar het blijven velen zal vallen. Maar blijven kan somtijds plicht zijn, waar het anderszijds plicht is te gaan voor hen, die gaan kunnen. Ieder onzer offert gaarne wat op. Voor velen, laat men mij gerust gelooven, gelijk het mij ook verzekerd is, zal het mate-rieele leven in Palestina wat smaller uitvallen en het geestelijke leven wat schraler zijn. Daardoor zullen wij ons echter niet laten ontmoedigen. Wij zullen onze bibliotheken moeten missen (dit zou ten opzichte van de Universiteitsbibliotheek niet al te erg zijn) (gelach), wij zullen onze concerten en schouwburgen moeten missen en verder dat, wat men samen de beschaving noemt. Maar, wij hebben allen veel boeken gelezen, en ieder onzer heeft ook wel verstandige boeken gelezen en voor zich zelf bewaard, wat daar voor goeds in stond. Wat wij gelezen hebben en bewaard in ons hart, is dat zoo weinig, dat wij dadelijk eenzaam zouden zijn! Wat de concerten aangaat, och, zou dat land zijn concerten niet geven! Zou daar de wind niet even heerlijk door de boomen ruischen als hier! Zouden daar de golven niet evengoed breken in een branding van bruisend schuim, waarnaar wij heerlijke, lange uren kunnen staren! En de schouwburgen! Waarlijk, voor ons heeft het leven een geheel ander decor. Wij verlangen, als ik dit woord hier gebruiken mag, naar een decor, waar de sterren zoo groot en zoo goud des nachts aan den hemel flonkeren. Ik, voor mij zal het gemis van de bibliotheken, de concerten en de schouwburgen niet betreuren, zelfs het Weekblad van het Recht niet (gelach).
Wie gaan kan, die ga! Het zal niet waar zijn, wat onze haters en smaalders (en wij hebben er velen) spottend hebben voorspeld: ‘Alleen de arme berooide genooten van ons Volk zouden zich opmaken en heengaan, terwijl de beter geplaatsten in onze maatschappij, zouden blijven, waar zij zijn.’ Neen! dit schandewoord zal niet worden waar gemaakt. Voor beide cate-goriën, voor hen die heengaan en voor hen die blijven, is een grootsche taak in dienst van het Joodsche Volk weggelegd. De taak van hen die blijven is niet het minst moeilijk, omdat op hen de minste aandacht valt. Slechts op
216