hen die gaan, wordt de aandacht gevestigd. (Iedereen wordt wel niet uitgefuifd, zooals ik dit tot mijne blijde verbazing en verwondering heb kunnen ondervinden). Men zal echter ons niet mogen zeggen: ‘zij hadden kunnen gaan en zij zijn gebleven’. En toch, het werk van hen die blijven, zal zwaar zijn. Zij immers moeten het Joodsche volk gereed maken voor het Jood-sche Land. Dat zal hen niet altijd licht vallen. Voor hen, die gaan, is de taak weggelegd, het gereed maken van het Joodsche Land voor het Joodsche Volk.
Die beide deelen van onze dubbele taak moeten gedaan worden met gelijke liefde en gelijke toewijding. Ze moeten volkomen harmonisch geschieden. Het evenwicht tusschen die twee deelen mag niet verbroken worden, want dat zou gevaarlijk zijn. Zij, die niet gereed zijn, moeten niet optrekken. Hij, die klaar is, moeten wij ginds bereid zijn te ontvangen. Het Joodsche Land moet klaar gemaakt worden om iedereen een behoorlijke bestaansmogelijkheid te verschaffen, die wil gaan.
Dit staat vast. Want zonder het Joodsche Land zal het Joodsche Volk nooit komen tot een rijk en volledig volksbestaan. Maar ook: ‘Wat zal er van het Joodsche Land worden zonder het Joodsche Volk!’ Niets anders dan een winstgevend bedrijf, van een of andere koloniseerende mogendheid. Wat zal het land dan voor ons worden! Alleen nog maar een herinnering aan heel ons heerlijk verleden. Gij, die blijven moet, omdat gij niet kunt gaan, ‘vaarwel’! Aan allen die gaan zullen, omdat zij kunnen gaan en moeten gaan ‘tot wederziens’!
Dames en Heeren! Moge het mij tenslotte vergund zijn afscheid te nemen van sommigen uwer in het bijzonder. In de eerste plaats van mijne medeleden van de afdeeling Amsterdam van den Nederlandschen Zionistenbond. Er zijn twee soorten van menschen, zij wier kracht het beste tot uiting komt binnen een organisatie en zij, wier kracht het beste tot uiting komt buiten een organisatie. De eene soort is niet beter dan de andere. Het is eenvoudig een verschil van aard en aanleg. Maar daar ik nu eenmaal tot de tweede soort behoor, heb ik aan organisatorische arbeid weinig deel gehad. Denk daarom niet, dat ik het gestadige, nuchtere vereenigingswerk niet achten zou. Denk niet, dat ik niet begrijp, hoeveel innige toewijding het schijnbaar kleine en onbeloonde werk vraagt. Wij hopen, dat eenmaal alle Zionistische vereenigingen overbodig zullen zijn, maar zoolang dit niet het geval is, moge dan onze afdeeling Amsterdam groeien en bloeien. Moge zij doen, wat haar taak is: het Joodsche Volk gereed te maken voor het Joodsche Land.
217