‘In deze gedichten is het zich-Jood-voelen de schering, maar het zich schuldig voelen de inslag.’
Over mijn verleden zal ik niet spreken; geen belijdenis maar een belofte. En op den voorgrond dit: Wij zijn allen Joden, wij zijn allen Zionisten, een en eensgezind naar buiten, geschakeerd onderling. Dat wil zeggen, wij hebben niet allen dezelfde gedachten over het geestelijk leven in het nieuwe land. Wij mogen zeggen, dat het Zionisme plaats laat voor zeer uiteen-loopende gemoeds- en geloofsovertuigingen, wanneer wij maar nimmer vergeten, dat wij allen Joden en allen Zionisten zijn, allen bezield door eenzelfde liefde voor volk en vaderland. Mijn persoonlijke meening, die ik misschien hedenavond mag uitspreken is deze: dat het leven van het Jood-sche volk in het Joodsche land, moet worden gebouwd op den GRONDSLAG VAN TOUROH EN TRADITIE.
Hoe Touroh en Traditie onder de gegeven maatschappelijke omstandigheden gerealiseerd moeten worden, kunnen wij veilig overlaten aan onze Rabbijnen. Vele volkeren hebben wagens, wapenen en ruiterij. Ziet waartoe zij gekomen zijn. Israëls wapenen en ruiterij zijn wetgeleerden. Laten wij het dan daarmede eens probeeren. Toen ik het Jodendom niet kende, heb ik het verworpen. Naarmate ik het echter beter leerde kennen, het inniger lief gekregen. Niemand, die de beginselen van de Touroh kent zal betwijfelen of er zou meer sociale vrede zijn en meer eendracht en liefde tusschen de volkeren, wanneer die beginselen door alle volkeren waren aanvaard. Ik geef u dit alles als persoonlijke meening, maar ik geloof, dat deze meening door vele genooten van ons volk wordt gedeeld. Ware het anders, dan zou dit toch mijne meening nu zijn en altijd blijven.
Voor zoover ik mij herinner is nog nimmer iets gewonnen zonder heel langen strijd, door diepe dalen en kloven. Ik weet dat mijne meening, niet de meening is van allen. Maar ook met deze anderen zullen wij in vrede en vriendschap samenwerken voor ons ideaal. Wij zullen gaan tot aan de uiterste mogelijkheid van verdraagzaamheid. Wij zullen de meening van iedereen als een eerlijke meening eerbiedigen en zullen niet twijfelen aan hun goeden trouw. Wij zijn overtuigd, dat alle Joden tegenover elkander verdraagzaam zullen zijn. En als wij elkander moeten bestrijden, dan zal het zijn naar het woord des Profeten: ‘Niet met legerscharen, niet met een weermacht, maar met den geest.’
Ik meende verplicht te zijn, dit te zeggen aan ieder ander in den lande, opdat men precies wete, wat men aan mij hebben zal, voor zoover mijne krachten en invloed strekken zullen.
Mijne dames en heeren! Heden, nu ik voor U spreek (ik spreek niet dikwijls
214