Wie zal God’s roep weerstaan,
Die Zijn volk wekt?
En ik ga, gelijk de dagen gaan Ik ga, gelijk de nacht,
Wie zal er leven en weerstaan Van zijn innigste leven de kracht?
Wat sterren bindt aan hun baan De zon bindt aan zijn loop,
Dat bindt den Dichter aan
Zijn volk: zijn droom, zijn daad en hoop.
Mijn volk, mijn land, mijn lied!
Hoe kunnen zij gescheiden?
Op de kentering van de tijden Houdt Holland en één land ons niet!
En zoo zal het ons gaan! Noch in Holland, noch in eenig ander land zal men ons kunnen terughouden.
En nu hoort U dit: Wanneer ik spreek van de kracht, die ons thans allen naar Zion drijft, gebruik ik beelden aan de natuur ontleend, wolken, zon, dag, nacht en sterren. Inderdaad, wat ons drijft is de natuurkracht, de oerkracht van het Jodendom. Want als gij iemand vraagt, waarom hij ademhaalt en waarom zijn hart klopt, dan zal hij niet in staat zijn U het logisch te verklaren. Eenvoudig kan men zeggen: ‘het komt omdat ik leef’, En als men mij zou vragen: ‘waarom ik Zionist ben’, zou ik antwoorden: ‘omdat ik Jood ben’. Zionisme en Jodendom zijn even onafscheidelijk als leven en ademhalen. Wij zijn er van overtuigd, dat met hoe langer hoe meer ge-nooten van ons volk dit het geval zal zijn.
Mijne Dames en Heeren! Het spreekt van zelf, dat ik in dezen tijd van scheiding, nu ik veel verhoudingen losmaak, meermalen denk aan mijn verleden. Een pasgeboren kind heeft nog geen verleden en het is zich nog van geen toekomst bewust. Naarmate wij ouder worden, wordt ons verleden grooter en zwaarder. En verder strekt zich de toekomst uit, waarvoor wij maatregelen nemen; zoo niet voor ons zelf, dan toch voor onze familie en ons volk. Het verleden, dat ik meedraag, is niet licht. De lezers van het ‘Joodsche Lied’ weten dit. Mijn vriend en meester Frederik van Eeden, heeft het zoo goed gezegd in zijn beoordeeling van het Joodsche Lied:
213