EENHEID VAN WOORD EN DAAD
Eenheid van leer en van leven, dat is het, wat ieder noodig heeft. En de eenheid van het Joodsche woord en de Joodsche daad die heet ‘Zionisme’.
Die eenheid, dat Zionisme, zal nog velen uwer wegdrijven uit Holland heen naar het verre vaderland. Waarlijk nu ik mij opmaak om heen te gaan naar Palestina, voel ik, hoe moeilijk het is weg te trekken uit het land, waar ik geboren ben en op lateren leeftijd heb gewoond. Ik zal met moeite scheiden van de geleerden en dichters, met wie ik zoovele jaren in vrede en liefde heb samengewerkt. Ik weet, dat ik hun geestelijke gemeenschap menigmaal zal missen, en toch... ik ga en ga gaarne.
Toen ik een jongen was leek niets mij bekoorlijker dan een geleerde en dichter te zijn. Nu ik een man ben geworden behoef ik niet uit Holland heen te gaan, omdat ik in die begeerte ben teleurgesteld. Er is geen enkele teleurstelling van wetenschappelijken aard, die mij wegdrijft, en er is geen belofte zoo rijk, die mij in Holland terughoudt.
Ja, waarom gaan wij eigenlijk! Wat weten wij van het land dat ons roept, en van de stad, die ons roept! Wat bestaan ons die Poolsche, Rumeensche, Littausche Joden! Staan zij ons waarlijk nader dan de Hollanders wier taal wij spreken en met wie wij samenwerken in wetenschap en kunst?
Waarom gaan wij ? Wat drijft ons? Wat trekt ons?
Een mijner gedichten luidt aldus:
Door den nacht hoor ik Uw stem Stad van mijn land, Jeruzalem.
Mijne lieve vrienden! Wij gaan omdat wij nooit zijn weggeweest. Wij krijgen ons land terug, omdat wij het nooit hebben verloren. Wij zijn het volk, dat zijn land twintig eeuwen heeft vastgehouden naar het woord van den profeet:
‘Niet met legerscharen, niet met een weermacht, maar met den geest.’Een van die uitingen van die vasthoudendheid van geest is het Zionisme. En als ik mij zelf heb afgevraagd, waarom ik ga, dan heb ik er geen logisch antwoord, geen verklaring voor. Het is de oerkracht, die ons allen drijft. Ik moet en ik doe.
Laat ik u eenige korte strophen (een dichter spreekt zich altijd in zijne gedichten het beste uit) mogen voorlezen uit mijn gedicht ‘Roepstem’, waarin ik heb geprobeerd, die drijvende oerkracht uit te beelden.
En dan zeg ik:
En ik ga, gelijk wolken gaan Wanneer de zon hen trekt,
212