tijen. Laat men gerust van ons zeggen, dat wij wreed zijn, maar wij eischen het bloed van den moordenaar voor het bloed van den vermoorde. Laat men zeggen, dat wij laag zijn, omdat wij zoo spreken; het komt door den stijgenden weg van het lijden van ons volk! Tot de Christelijke liefde der Poolsche pogrom-moordenaars stijgen wij toch nooit. En dat verhaaltje van de eene wang en van die andere wang, dat kennen wij allemaal, en daar willen we allemaal aan meedoen, mits de Poolsche moordenaars beginnen. Waarlijk wij herdenken.
Heden herdenken wij deze gevallenen. Maar wij herdenken ook de gevallenen in Zion van ons volk, de wachters, de Sjomerim in Erets Jisroëil, zij, die gevallen zijn op hunne gevaarlijke voorposten. Gij, Jizchok Achduti, gij, Jizchok Turner, gij, Mosche Barski, gij allen gevallenen, wier namen wij weten en niet weten, heden herdenken wij u. Zijt gij gestorven, neen Cha-jietn Koelechem Hajom levend zijt gij heden voor ons allen in den geest. Wij zijn bereid: gij zijt ons voorgegaan. En dezen avond zonderen wij eenige oogenblikken van stille herdenking voor U af.
En thans kan ik U mijn afscheid uitspreken. In 1905 begon Albert Verwey, de meester van de hedendaagsche dichtkunst, de uitgave van het Maandschrift De Beweging. En in zijn inleiding daartoe schreef hij dit:
‘Wat stoffelijk en geestelijk de volkeren beleven, beleven het sterkst in den geest hunne dichters.’
Zoo is het.
En zoo is het niet toevallig, dat de eerste Nederlandsche Jood, die naar Palestina optrekt de dichter is, de voortbrenger van ‘Het Joodsche Lied’.
Er bestaan vele schakeeringen in het dichterschap en meerdere zijn schoon. Het mijmerende, peinzende dichterschap van Boutens, het juichende, klagende van Willem Kloos, het opene en lachende van den jongen Gorter, het wijsgeerige en profeteerende van Frederik van Eeden. Maar het dichterschap van het Joodsche Volk kan in dezen tijd niet anders zijn dan een strijdbaar. Een strijdbaar dichter, zoo moet gij mij heden verstaan. Hoe zou ik kunnen droomen, waar het Joodsche volk ontwaakt tot een heerlijkheid van daden 1 Mijn hart is vol van poëzie, maar niet minder vol zijn mijn hoofd en hart van daden. Ik houd mij ernstig bezig met niet onbelangrijke handels- en economische plannen voor den opbouw van ons land. Degenen met wie ik thans voor dit doel samenwerk zijn zij, die ik in ‘Het Joodsche Lied’ bedoeld heb in de afdeeling ‘Aan mijne Joodsche Vrienden’. Die Joodsche vrienden hebben mij bij de beste mijner gedichten geïnspireerd, zij werken thans met mij aan dezelfde daden. Nooit heb ik mijn dichterschap sterker beleefd dan in deze dadenrijke dagen.
211