zijn werkelijkheid anders. Hij wordt gedragen door schone woorden en rijke maten, die in de nadagen van 1918 hun kristallisatie vonden in een machtige rede op die afscheidsavond, door Rabbijn de Vries toen reeds voorvoeld als een hachelijk politiek avontuur.
Hij sprak:
Mijnheer de voorzitter, dames en heeren! Het lot van het Joodsche Volk altijd en overal is het herdenken. Ook hedenavond herdenken wij. Wij zien terug op bijna twintig eeuwen van vervolging en omzwerving. Wij hebben in die 20 eeuwen meer aan bloed en goed verloren dan eenig ander volk in al zijn wilde oorlogen. En wij hebben nooit vrede gehad. De wereldoorlog is voor een groot gedeelte gevoerd daar waar zeer veel Joden woonden. In alle legers hebben Joden tegenover elkaar gestreden. Dat is een noodlot dat niet een ander volk heeft beleefd. Heden herdenken wij onze verslagenen van twintig eeuwen, zij die bemind waren en lieflijk in hun leven. De dood heeft hen niet van ons kunnen scheiden. Twee legers van martelaren herdenken wij in het bijzonder. Ten eerste, zij, die gevallen zijn, nu de vrede daagt, onder de marteling van de moordzuchtige Polen. In iedere vergadering van Joden moeten wij het ten hemel uitschreien, dat het Poolsche volk getoond heeft zijn vrijheid niet te verdienen, dat het Poolsche volk zijn blanke vrijheid heeft bezoedeld met ons onschuldig bloed. Maar wij moeten meer doen dan schreien en protesteeren en collecteeren alleen. Wij moeten op de vredesconferentie met dezen éénen zeer concreten eisch komen, dat de moordenaars van het Joodsche volk worden gestraft met de straf, welke door alle wetten voor moordenaars gesteld wordt. Wij eischen:
HET BLOED VAN DEN MOORDENAAR VOOR HET BLOED VAN DEN VERMOORDE.
Ik bid het U, toe, laat deze eisch geen klank los in den wind zijn! Engeland maakt zich gereed tot bestraffing van hen, die de Engelsche krijgsgevangenen hebben mishandeld. Zou het Joodsche volk zich dan niet sterk maken voor de berechting van hen, die de kinderen van ons volk hebben vermoord! Wat wij nu noodig hebben is een daad waar het gebleken is, dat woorden niets baten. Een daad! Een daad! Gij, Zionisten, leden van de af-deeling Amsterdam, gij leden van de afdeeling Mizrachie, en andere leden in hunne afdeelingen, brengt ieder dit voorstel ter sprake. Laat het dan gebracht worden op de jaarvergadering van uw landelijke organisatie. Laat het verder gebracht worden in alle landelijke bestaande organisaties, in de wereldorganisatie, in de Joodsche pers, in de Nederlandsche pers en in de pers van de geheele wereld. Hierdoor kunnen wij er in slagen, door bedreiging met die straf, een einde te maken aan die pogroms en moordpar-
210