voor zijn vertrek, is als gedicht voor heel zijn Joodse levensadem typerend. Het slot, van een ontroerende ‘Chibbat Zion’ doortrokken, past in de lange historie van het Zionsverlangen, zoals dat in de liturgie en het Joodse jaar gedurende de eeuwen zijn uitdrukking vond:
En zoo vaak, tusschen waak en slaap,
Lag ik droomend, een vrome Knaap.
Moeder; Stad van mijn Land, laagt gij niet wakker,
Eeuwen lang in één blinde nacht 1 En ziet ge uw Volk niet zwak en zwakker Tot ramp en rouw gebracht.
Gij staart naar het Noorden Rusland: waar men ’t Volk vermoordde.
Gij staart naar het Westen Waar vergaan de late resten Van het Volk in wederstand Tegen ieder land.
En door de nacht zag ik uw blik Starend, onbewogen.
Geen vreugd meer en geen schrik In uwe leeggeweende oogen.
Moeder: zijt gij niet jong geweest En Gods gewijde Bruid?
Gingen niet voor landspel en feest Uw volken in en uit?
En werd niet in uw open poort Het Heiligst Recht gehoord?
Waren niet uw wegen,
Weidsch van rijke zegen?
En nu? Verloren strekken uwe straten En de wegen om u heen.
Uw zonen hebben u in angst verlaten Elk volk bracht hen tot wreed geween.
Maar - en dit was een diabolische speling van het levenslot - de ‘echte’ Zionisten gingen niet; ook niet na de Balfour-declaratie. ‘Waar blijven de babbelende...’ kon hij later schamper vragen! Waarom hij wel ging, dat menen wij nu te weten. Maar een dichter van het Joodsche Lied formuleert
209