schap. Meer was er niet geschied! Hij was een dichter van zinnelijke schoonheid gebleven.
Herman van den Bergh heeft dit geformuleerd toen hij (in Het Getij van 1918, dus vóór De Haans vertrek) schreef:
Jacob Israël de Haan wordt, romanschrijver of dichter, zonder macht tot verzet overheerscht door één symbool van psychische aberratie; wat er bovenmenschelijk in hem verkeert - en dat is ontzaglijk veel - stoort zich in geenen deele aan al zijn menschelijke wendingen (apostaat, bekeerling, zuiver-individualist, nationalist). Hij is zelfs niet vóór alles Joodsch poëet: hij is een der meest praegnante voorbeelden van den roekeloozen schoonheidscultus, die twintig jaar geleden in gevangenissen werd geboet over het gansche continent, en omstreeks denzelfden tijd ook in Engeland (Reading Goal). Hij bezit niet een verrel van dien banalen activistengeest, die De Clercq goeddeels ongenietbaar maakt. Hij is geen modern dichter; en dat belijdt hij. Zielsabnormaliteit is hem geen drijfveer: het is een symbool. Dat hij gehoor geeft aan deze symbolische psychose, en zijn ‘zonden wonderzoet’ bezingt die hij in waarachtigen zin te danken heeft aan zijn symbool, zooals hij bezingt de rampspoeden van ‘zijn volk’, staat in opperste instantie aan hém; en het staat aan hèm, de zangen aan zijn volk te verkiezen boven het uitsluitend ‘verderfelijke’ lied.
Om hierbij terstond aan te sluiten: wat kon deze Jacob Israël de Haan er aan doen, dat zijn gedichten waren vertaald in propagandistische slogans voor het Joods Nationaal Fonds of in politieke leuzen van een Zionisme, dat streefde naar verwezenlijking van het Baseler Program: ‘Een publiekrechtelijk gewaarborgde eigen woonplaats voor het Joodse Volk in Palestina’, zoals tientallen jaren boven De Joodsche Wachter prijkte.
Wat had dit in godesnaam te maken met de levensgang van een gazzens-zoon, die nooit van een modern Palestina had gedroomd, maar van een eeuwenoud Jeroesjalajim: de heilige stad van een heilig land - even heilig en onheilig (dat was toch identiek) - als de Sabbath en Thomas van Aquino en het jongetje uit Bretagne? Hij was, naar de instincten van zijn dichterschap, misschien een Chowew Zion, die door de nachten van het Galoet het oude vaderland beweende. Hoe vaak - eigenaardig facet - zingt hij van Jeruzalem, hoe weinig ontmoet men in al zijn schrifturen de naam van Palestina. Jeroesjalajim - nog liever in pauza: Jeroesjolojem - zoals hij het van vader Izak en vooral van moeder Betje had gehoord.
Jeruzalem, gepubliceerd in het vijfde Zionistisch Studentenjaarboek en wel kort
208