deed het er toe? De dichter van Het Joodsche Lied dacht op zijn wijze aan het Middaggebed van de Jom Hakipoeriem:
En later lazen wij, harten ontsteld
Het fijn verhaal van sierlijk speelsch gemartel,
Waarmee Romeinen teeder-wreed en dartel Onze Rabbijnen hebben doodgekweld...
Een man, die wijs was, de tong uitgerukt,
Waarmee hij sprak, woorden als goud zoo goed,
Een man, die schoon was, in regen van bloed Teedere huid van ’t krimpend lijf geplukt.
Op zijn wijze, inderdaad, die van Pathologieën.
Natuurlijk was Jacob Israël in geen enkel opzicht veranderd. Hij had dit openhartiger durven formuleren dan al zijn vijanden, vroeger of later, aan het begin van de eerste bundel:
HET JOODSCHE LIED
Laat mij maar moede zijn en of gehuiver Van angst en afschuw martelt door mijn hart,
Toch vind ik troost in zenuwzieke smart In het Hebreeuwsche lied, wonderzoet-zuiver.
Luid-juichend zing Alkabitz, de Leviet Hoe verheugd hij den Heilgen Sabbath beidt En hoe droef-troostend klaagt de avondzang niet Waarmee de vrome zijn Sabbath uitwijdt.
Ik ben één van hun Volk en hunne zang Zinge mijn lied, want langs ’t gejaagde pad Leed één Volk meer dan mijn Volk smaad en pijn?
Dus werd dit wat ik boven al verlang,
Meer dan de Vriendschap, meer dan aardsche schat:
Dichter van mijn verdreven Volk te zijn.
Deze man had alleen maar de Vriendschap verlaten voor het Joodse dichter-
207