De zoon van een gazzen

Titel
De zoon van een gazzen

Jaar
1967

Pagina's
414



deed het er toe? De dichter van Het Joodsche Lied dacht op zijn wijze aan het Middaggebed van de Jom Hakipoeriem:

En later lazen wij, harten ontsteld

Het fijn verhaal van sierlijk speelsch gemartel,

Waarmee Romeinen teeder-wreed en dartel Onze Rabbijnen hebben doodgekweld...

Een man, die wijs was, de tong uitgerukt,

Waarmee hij sprak, woorden als goud zoo goed,

Een man, die schoon was, in regen van bloed Teedere huid van ’t krimpend lijf geplukt.

Op zijn wijze, inderdaad, die van Pathologieën.

Natuurlijk was Jacob Israël in geen enkel opzicht veranderd. Hij had dit openhartiger durven formuleren dan al zijn vijanden, vroeger of later, aan het begin van de eerste bundel:

HET JOODSCHE LIED

Laat mij maar moede zijn en of gehuiver Van angst en afschuw martelt door mijn hart,

Toch vind ik troost in zenuwzieke smart In het Hebreeuwsche lied, wonderzoet-zuiver.

Luid-juichend zing Alkabitz, de Leviet Hoe verheugd hij den Heilgen Sabbath beidt En hoe droef-troostend klaagt de avondzang niet Waarmee de vrome zijn Sabbath uitwijdt.

Ik ben één van hun Volk en hunne zang Zinge mijn lied, want langs ’t gejaagde pad Leed één Volk meer dan mijn Volk smaad en pijn?

Dus werd dit wat ik boven al verlang,

Meer dan de Vriendschap, meer dan aardsche schat:

Dichter van mijn verdreven Volk te zijn.

Deze man had alleen maar de Vriendschap verlaten voor het Joodse dichter-

207

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition).
Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen.


Weergave
Afbeelding / Tekst (OCR)

Alle boeken in deze digitale bibliotheek kunt u gratis lezen of downloaden. Met een vrijwillige donatie helpt u ons met het in stand houden en verder uitbreiden van de bibliotheek. Klik hier als u een bijdrage wilt overmaken.