komen. Denk u maar zoo min mogelijk over mij. Ik verdien het niet en u kunt uw liefde voor beteren gebruiken. Laat ook deze brief u niet teleurstellen. Ik heb er lang over gedacht, maar het is het beste zoo. Ik ga misschien de geheelen Pésachweek naar Haarlem en vind daar in Rabbijn De Vries een goeden raadsman. Misschien zien wij elkander daarna vanzelf eens weder.
Hartelijk de uwe, d.H.
Laat mij u dit zeggen. Ik schrijf deze brief zonder angst en in volkomen gemoedsrust. Voor het eerst sinds weken voel ik weer die milde aandoening, die aan mijn gedichten voorafgaat en zeide de stem, die altijd mijn gedichten voorzegt mij het gedicht voor, dat ik heb overgeschreven. Wees dus niet bezorgd of bedroefd om mijnentwillen.
De stem, die hem zijn liederen voorzong, zijn Sabbath-liederen vooral, waarvan hij droomde, dat zij eenmaal zouden worden gezongen door vrome knapen aan Joodse tafels in heel die machtige diaspora. Gelijk inderdaad zou geschieden met een van de zangen van Chaim Nachman Bialik.
Maar daarmee was ook het wezenlijke verschil gesteld! Dat was een Hebreeuws lied van een Joods dichter, wiens levensgang zich harmonisch voegde in de zuivere historie van het eeuwige volk.
‘Bialik - lis man depal/ife’.
‘Over Bialik is niemand een andere mening toegedaan’.
Zo spraken de Joden van hun grote poëet. Maar wat zeiden en dachten velen van hem? De verschijning van Het Joodsche Lied was door nationale Joden in Nederland als een gebeuren van ongewone betekenis aangevoeld - maar als niet meer dan dat. De Zionistenbond hield zich als zodanig afzijdig van hem en alleen de Mizrachisten waren hem tot steun - zonder nochtans uit het oog te verliezen, dat hier een labiele man voor hen stond, in wiens zieleleven te veel berouw in te veel herinneringen werd gesublimeerd. En wat voor herinneringen!
Straschun waarschuwde hem zich niet te dikwijls op openbare Joodse bijeenkomsten te laten zien en horen. Hij doorvoelde de subtiele problematiek in zijn eenvoudige, Oostjoodse nesjomme. Deze begaafde dichter - dit geschenk van God - was voor zichzelf even gevaarlijk gebleven als weleer. Nederlands las de rebbe niet zo goed, maar het geluid, dat hij in de gedichten beluisterde, stootte hem af. Was het wel een Joods geluid 1 Of hij nu vroeger had gezongen van Russische gevangenen en nu van de befaamde Tien Martelaren (de zogeheten Asara Haroegé Malchoet, van wie de liturgie op de Grote Verzoendag in meeslepende woorden spreekt); wat
206