breeuwse teksten aan de wand hingen, prachtig in Sofer-schrift geschreven door Eljakim (Jacques) Asscher, wiens uitvoerige correspondentie met Ja-cob Israël de Haan - vóór de oorlog in ons bezit - door de Duitsers werd vernietigd. De ene gaf het woord weer uit Psalm 137 :5, Indkn ik u vergeet, o Jeruzalem! zo vergete mijn rechterhand zichzelf.
De andere bevatte de Talmoedische spreuk, ons reeds bekend uit de eerste bundel: Israël, die misdreef, blijft Israël.
Was dat laatste wel zo, in abstracte zin dan? Of kon men dit signifisch ook aldus interpreteren, dat deze Jacob Israël = de Jacob Israël van vroeger? Hij worstelde meer met dit probleem dan de buitenwereld vermoedde. Zijn hulpeloze brief aan Dr. H. Pinkhof schildert het nog eens in alle kleuren voor ons af!
Amsterdam, 11-3-1917.
Zeer Hooggeachte Heer, u begrijpt wel, dat het niet uit onverschilligheid was, wanneer ik u niet eerder heb geantwoord op uwen lieven, weldadigen brief van 27 Februari. Maar ik zag er zoo tegenop u eenen brief te schrijven, die neer zou komen op een herhaling van mijnen dichtregels .. .‘laat mij met mijne smarten eenzaam,
...reik mij geen bittre troost.’
En toch kan ik u geen anderen brief schrijven. Na mijne lezing in ‘Our Chodosj’ is het mij negen dagen goed gegaan. Daarna is een terugslag gekomen en nu is mijn toestand weder ongunstig. Ik kan u niet zeggen wat ik precies bedoel met goedgaan en terugslag, want er zijn dingen, waarover ik niet spreken kan. Ik vind het zoo innig lief van uwe vrouw en van u, dat u mij helpen wilt. Maar geloof mij: het is beter voor u, voor uwe kinderen en voor mij zelven, wanneer u mij maar stil aan mijn lot overlaat. Het maakt mij zoo angstig, dat de aandacht van zoovele Joden door mijne gedichten op mijn leven is gevestigd. Misschien zijn er die vinden, dat het mij nog niet zoo erg slecht is gegaan en die dat leven wel zouden willen navolgen. Ik heb mijn lichaam en mijn ziel toevertrouwd aan dien, die u en de uwen moge regeren. Wanneer nu de genezing uitblijft voor lichaam en ziel, dan is het beter dit te aanvaarden. Ook dit kan toch ten goede zijn. U weet, men zegt tegen een zieke... Dus wanhoop ik niet. Wel vraag ik mij af, waarom ik juist in dezen tijd weder zoo bitter bezocht werd. Ik heb den geheelen dag zenuwpijn. En ’s nachts afschuwelijke droomen. Er verschijnen allerlei gestalten die ik zeer vrees. Maar twee nachten geleden een stem: ‘Wees niet bang, het is eenen waarschuwing’. Daarop vertrouw ik. Mijn werk houd ik vol. En na alle beproevingen zal ook de rust en de vrede
205