dat in het gecompliceerde zieleleven van haar man iets vreemds had plaatsgevonden, dat zich tot in alle hoeken van lichaam en ziel deed gelden. Zij nam haar orthodox levende zwager Meijer de Haan in vertrouwen en samen wezen ze de ongewone zoon van de gazzen terug naar de Joodse keuken, die zoals de significi dit met woorden deden, onderscheidde tussen vlees en melk, tussen ‘koosjer’ en ‘treife’. En dat alles in bezinning en in aansluiting aan het historisch gewordene. Geloof en dadenleven verbonden - mét al het andere - tot een Joodse eenheid. Zo ongeveer zou hij het zelf hebben kunnen formuleren.
Van nu af gebruikte hij dagelijks de warme maaltijden in het koosjere restaurant Polak (later: .. .en Hiegentlich) aan de Nieuwe Hoogstraat te Amsterdam. Het duurde niet lang of hij werd als gast genood aan tafel ‘bij de beste Joodsche gezinnen’, zoals de families Davids, Tal en het gezin van de bekende dokter Pinkhof, waar hij dan zo dikwijls de Jomtof en de hele Sjabbes meemaakte - mét de lange middagen - en (zoals Rabbijn de Vries later zou getuigen) de stemming kon drukken door zijn wroeging, die door zijn ongeremde tranen heen de kinderen onrustig maakte. Pijnlijke, droeve ervaringen voor wie daarbij aanwezig mochten zijn. Maar voor hem was het altijd nog beter dan de on-Joodse sfeerloosheid bij hem thuis. In zijn eigen kamer kokkerelde hij - zoals J. C. Bloem ons vertelde - zijn lunch bij elkander als een soort kok in een chinees restaurant. Hij spotte daarbij wel met zichzelf, vaak ook met zijn vrouw van wie hij nu nog meer gescheiden leefde (als dat mogelijk was) dan vroeger. Wier brieven hij verscheurde en voor wie hij zich schaamde tegenover zijn nieuwe orthodoxe vrienden.
Hij begon als Ba’al Tesjoewa toch al hinderlijk te worden, bovenal in de synagoge, waar hij het liefst (of het nu Amsterdam was of Haarlem) ‘vooraan’ wilde staan, tegen de muur. Daar ‘dawwende’ de nieuwe ‘chosed’ met een ‘kawwana’ (aandacht), die gewone Joden niet konden begrijpen, laat staan opbrengen.
Met devotie prevelde hij de oude Tefilles, mila bemila, woord voor woord. ‘Wij hebben noodig: taalpsychologie, taalphilosophie en vooral taalmys-tiek. Wat is dat? Dat is het “beleven” van de Taal, Woord voor Woord. Laten wij het zóó zeggen: een Woord beleven is: het Woord maken tot Ziel en de Ziel maken tot het Woord. Zóó: de geleerde leest de Hebreeuwsche Psalmen, maar de Vrome beleeft ze in de gebeden: woord voor woord. Wie de Psalmen leest, gevoelt, dat hij spreekt tot een ander. Wie de Psalmen beleeft, gevoelt, dat een ander spreekt tot hem. En ook de Dichter beleeft zijne Liederen, woord voor woord.’
Hij, de zozeer bewogen dichter der Beweging, dat hij niet eens meer merkte
203