Voor dat men het graf verlaat, legt men de linkerhand er op en zegt:
Uwe dooden zullen herleven, mijne afgestorvenen zullen weder opstaan! Ontwaakt en juicht, gij, die in het stof ligt, want uw dauw is als die der planten, en de aarde zal de overledenen terug geven. En de Eeuwige zal u bestendig geleiden; zelfs in de dorste streken zal Hij uwe ziel laven en uw gebeente sterken. En gij zult zelf zijn als eene welbesproeide hof, gelijk eene waterbron, die nimmer uitdroogt. Lig in vrede, rust in vrede, totdat de vertrooster komt, die den vrede verkondigt, Amen!
Aan Van Eeden had hij eenmaal geschreven, 13-10-1914:
Heb je mijne laatste gedichten gelezen in De Beweging. Het tweede schreef ik nadat ik eenige malen van de Dood had gedroomd. Ik droom tegenwoordig telkens van de Dood. Misschien doordat de sterfdag mijner Moeder morgen verjaart en wij Zondag naar haar graf gaan.’
Op het oude ‘Keiwer’ aan de Westzaandijk had hij de duivels van vroeger weer ontmoet. Hun gloed zette alle moeilijk formuleerbare Joodse inhoud in lichterlaaie. Weer stormden de sjeidem op hem los.
‘Ik ben niet zo heel goed den laatsten tijd. Er is een demonisch Edomiet in mijn buurt. Ik ben heel moe en slaap ’s avonds dadelijk in, zodat ik niet droom, maar toch is het alsof ik droom... ’
Eerder had hij Van Eeden geschreven over vermoeidheid en moedeloosheid ‘door demonische dromen. Al de dingen, die men beter doet niet te weten, heb ik gedroomd, nooit van anderen geleerd...’ (11-1-1912).
Er tekent zich een geestelijke crisis af, die zich in een maaglijden manifesteert. ‘Ik-zelf ’ - aldus aan Verwey (28-2-1915) - ‘ben tamelijk ziek. Ik kan geen eten verdragen en krijg nu alleen thee en een enkel koekje.’
Iets later luidt het (17-3-1915): ‘Mijn gezondheid was slecht. Van Eeden ried rust aan. “Maar slechts in onrust vindt mijn hart zijn rust”.’
Na een paar maanden (2-5-1915): ‘Ik zit in groote zorg. Er komt een crisis in mijn leven, die tot groote verandering voeren zal. Doch daarover niet.’
En dan tenslotte 23—5—1915 (weer aan Verwey):
Ik zou toch liever het gedicht ‘Israël heeft veel gezondigd’ niet als deel zien van ‘Het recht op slechtheid’. Laat mij u mogen voorstellen het in de aflevering van Juli te plaatsen, samen met het inliggende, waar het in gevoel en afkomst aan verwant is.
Ik ben wedergekeerd tot het geloof van mijne kinderjaren. Gisteren vierde ik met de genooten van mijn volk den Sabbath en dagelijks zeg ik mijne
201