Den dijkweg, grafwaarts, toen wij kindren waren,
Bracht men menig man, menig jong genoot.
Wij droegen licht de lasten onzer jaren,
En maten niet het leven aan den Dood.
Tot éénen dag Moeders kinderen traden Den ouden weg naar heur graag-wachtend graf,
Toen wisten wij, dat alle bonte paden Dalen naar ’t eene doodsche duister af.
En ieder jaar zullen wij weder weten Zoolang wij samen dezen veldweg gaan:
‘Geen Droom of Daad doet ons den Dood vergeten,
Hij ziet Jeugd noch Liefde noch Schoonheid aan’.
Joodse mystiek klinkt door zijn dialoog met de oude moeder, die daar blijft liggen op ‘Gan-eiden’, in de Hof van Eeden, ‘binnen de heiningen der doodenhof’:
Moeder: is rusten waar gij eenzaam rust Een stoorloos rusten zonder zonde en pijn?
Moeder: weet gij, dat zooveel wreede tochten,
De legers van zoovele landen gaan... ?
Moeder: breek zijn geheim en als mijn Droomen Mij voeren tot de grens van zijn Gebied,
Verbreek uw Doodsban om tot mij te komen,
Weiger mijn hart zijn zeker lijden niet.
En dan:
Moeder, Moeder, op de begroeide kling Uw graf, leg ik bevend mijn linkerhand,
Wij scheiden: ieder in zijn stad of land,
Herneemt zijn Daad, zijn Droom, zijn twijfeling.
Mét de simpele toevoeging: ‘gebruik bij het verlaten van het graf’ en doelend op een ‘minhag’ (een gebruik), dat hij kende uit het Sefer Chajim van Reb Sjimmen Frankfort in de vertaalde editie van Gabriel Polak:
200