In ’t oude Hof heb ik mijn graf gekocht Waar het graf bloeit van mijne vrome Moeder.
Zij liggen daar: de trouwen en de vromen,
Waar ik rusten wil van tuchtloozen tocht:
Ach, één is het deel van Droomer en Woeder.
De weerkerende verjaring van haar sterven, de zogeheten jaartijd, confronteert hem steeds opnieuw met raadselachtige stemmingen, waarin levende herinneringen hem dringen tot vereenzelviging met het levensbeeld van zijn moeder. Ten positieve en ten negatieve, want de sjeidem behouden hun beide partsoefiem - hun twee gezichten. Indrukwekkend blijft het lied, dat hij in 1915 in De Gids publiceerde en dat tot titel draagt:
Aan Moeders graf .
Heur Jaartijd keert en Moeders kindren komen Als nooit gescheiden biddend aan heur graf,
Voor éénen Dag laten zij Daad en Droomen,
Voor één Dag leggen zij hun zorgen af.
Niet één gedenkt des andren zonde en zede Want elk is slechts een kind van haar gezin,
Zóó brengt een goede Moeder liefde en vrede,
Stierf zij, nimmer sterft hare milde min.
De kleine stad, waar wij haar kindren waren,
Beleeft in den herfsttijd zijn laatste bloei,
Een schuwer licht luwt door de dunne blaren,
Het leven sterft, maar ’t is voor nieuwer groei.
Nog kennen wij de paden en de straten Maar velen van het volk kennen wij niet,
Vervreemding meet voor elk der jaren maten Sinds ieder hoopvol Moeders huis verliet.
Elk toog zijn tocht, maar de verspreide wegen Vereenen zich elk jaar aan Moeders graf.
Wij waren jong: zij gaf ons leer en zegen,
Elk leed zijn lot en wacht zijn wending af.
199