Dat geen wiskunde, die niet op deze wijze intuitief is opgebouwd, kan bestaan; dat dus in dezen opbouw, onder de verplichting, zorgvuldig acht te geven, wat de intuitie veroorlooft te stellen en wat niet, de eenig mogelijke grondvesting der wiskunde is te zoeken; en hoe elke andere poging tot zulk een grondvesting moet mislukken, zal in het derde hoofdstuk worden uiteengezet.
Binnen zulk een opgebouwd systeem zijn dikwijls, geheel buiten zijn wijze van ontstaan om, nieuwe gebouwen zeer eenvoudig aan te brengen, als elementen waarvan de elementen van het oude of systemen daarvan worden genomen, in nieuwe rangschikking, maar waarbij men de rangschikking in het oude gebouw voor oogen behoudt. Op de mogelijkheid van zulk bouwen van nieuwe systemen in bepaalden samenhang met een vooraf gegeven systeem, komt neer, wat men noemt de ‘eigenschappen’ van het gegeven systeem.
Zo wilde hij wonen in het gebouw van zijn Jodendom.
Want: ‘Wiskunde, werkelijkheid en waarheid’
En ‘Het Joodsche Lied’: het is alles één.
‘Eén’, bovenzinnelijk getal, dat zijn Waarde ontleende aan ‘den strengen één-goddelijken aard van het Joodsche Volk...’ Als hij - met de handen voor zijn gezicht - in sjoel hardop de geloofsbelijdenis uitsprak voor den Eenigen God, dan voelde hij zich... erbaut.
Hij hield van het ‘minjan’, waartoe hij nog op zijn afscheidsavond de Miz-rachistische jongeren oproept:
Laat ik U nog dit zeggen. Ik bedoel hiermede van niemand kwaad. In het buurtsjoeltje waar ik pleeg te komen, was vanmorgen geen minjan. Hij echter, die wil, dat ’s morgens in sjoel minjan zij, hij sta vroeg op en ga. Zij die willen, dat in het Joodsche land minjan zij, niet alleen ’s morgens, maar des morgens, des middags en des avonds, zij staan vroeg op en gaan.
En als hij eenmaal in 1918 in Groningen overnacht, schrijft hij:
Te Groningen laat naar bed, en heel vroeg op.
Want ik wil op dezen blijden dag mijne ochtendgebeden niet spreken in de starre onverschilligheid van een vreemde hotelkamer. Maar in de innigheid van samen met de Gemeente te zijn. Zoo begint de dag pas over de Stad te schemeren, als ik, vreemde, de wegen naar de Synagoge uitzoek. Een ruim gebouw. Maar op dezen gewonen werkdag zijn wij weinigen. Alleen het middendeel is stil verlicht. En ik nader, als in opgang naar een
197