26-7-1915-
Zeer waarde Heer Verwey, in de Hebreeuwsche letters in de proef zaten vijftien fouten. Ik heb ze op een velletje papier allen zorgzaam verbeterd. Zoudt u misschien eens willen opletten of de correcties worden aangebracht.
Het maakte op Verwey misschien toch nog indruk! De, tekens waren zo vreemd. En in elk geval, Jacob Israël was er trots op. En ergens ook weer terecht. Los van alle nuchtere kritiek op zijn voorlopige amratses, blijft het immers vaststaan, dat de dichter een klaar begrip heeft voor de toekomst van de nieuwe taal, een boeiend vraagstuk voor een significus van zijn klasse, die bij herhaling over ‘Ben Jehoeda’ zou schrijven en dichten. Nog vóór zijn vertrek schrijft hij:
Wat zal in het Joodsche Land de volkstaal zijn: Jiddisch of Hebreeuwschl Daarover is veel gestreden, nog in de laatste afleveringen van Martin Buber’s Maandschrift ‘Der Jude’. Ik persoonlijk wil het Jiddisch, de Taal der Ballingschap, niet als de Taal van het Vrije Volk. Zoo hoog als ik sommige Jiddische gedichten en prozastukken stel. Wij willen in ons Land He-breeuwsch spreken, die heerlijke hooge en heilige taal, waarvan wij ieder woord als zieleschat veroveren en bewaren.
Zijn tekortschieten op dit punt hindert hem juist daarom te meer. Als later de geïnteresseerde Verwey hem naar de grote modern-Hebreeuwse dichter Chajim Nachman Bialik (1873-1934) vraagt, weet hij niet te reageren. Hij is dan al een half jaar in Palestina, maar schrijft (27-6-1919):
Het is wel jammer, dat ik uw vraag over Bialik niet zoo dadelijk beantwoorden kan. Hij is zeker een groot dichter.
In een iets vroeger stadium had hij niet goed raad geweten met De Rol des Vuurs, een prozagedicht in 8 zangen door Ch. N. Bialik, dat als eerste Nederlandse vertaling uit het modern Hebreeuws was bezorgd door een der pioniers van de Hebreeuwse Renaissance in Nederland, de Oostjood J. Figat-ner en de letterkundige Joseph Gompers. De laatste had hem het boekje (verschenen bij de N.V. Uitgeversmaatschappij ‘De Zonnebloem’, Apeldoorn 5680-1919) gezonden, waarop lange tijd niet werd gereageerd. Eerst op 31 oktober 1919 antwoordt hij:
Geachte Heer Gompers, vergeef mij, dat ik u niet eerder antwoordde. Ik had het zoo druk.
194