contact met de Rabbaniem van Jeruzalem. Aan een onbekende, die hem met een Hebreeuwse brief verraste, schrijft hij bescheiden:
2^-4-1915.
Zeer Waarde Heer, dank voor uwen brief, dien ik wel las ofschoon niet geheel en al zonder eenige moeite, niet zoozeer om de woorden als wel door de letters, die u eenigszins anders schrijft dan ik ze leerde. Ik vraag u wel mij te willen verontschuldigen, dat ik u niet schrijf in het Hebreeuwsch. Ik ben al sinds eenige maanden half-ziek, heb veel te doen, ziekten en zorgen in mijne familie. Daarom schrijf ik u dezen eenigszins gehaast. Al deze omstandigheden zijn ook de reden, dat ik van eene Hebreeuwsche briefwisseling voorlopig nog moet afzien. Gaarne uw dw.
Jacob Israël de Haan.
En aan opperrabbijn Wagenaar, die hem een Judalstische studie toezond: 5-7-I9I5.
Zeer Hooggeachte Heer! Wellicht doet de toezending van dit afdrukje uit ‘De Beweging’ u genoegen. Ik heb uwe beschouwingen met groote belangstelling gelezen. Maar mijne kennis van het Hebreeuwsch is niet zoo groot als ik wenschte.
Tegenover een buitenstaander als Albert Verwey, die hem niet kan controleren, is de bescheidenheid minder groot:
26—10—1914.
Maandag kreeg ik bezoek van eenen Joodschen vluchteling uit Antwerpen. Wij spraken samen Hebreeuwsch. Voor ’t eerst sinds ik het weer begon te leeren.
Hoe trots zijn epistel van het volgend jaar:
7-7-1915.
Zeer waarde heer Verwey, ik schrijf u dezen brief onder den indruk van vreugde over het mooie debuut van Sidney Nielsen, maar ook onder den indruk van spijt, dat de andere medewerkers zoo weinig doen. Bijgaand opstel was in anderen vorm bestemd voor het Weekblad van het Recht. Ik heb het thans omgewerkt en zend het u. Het Hebreeuwsch moet natuurlijk in het Hebreeuwsch worden gezet, desnoods bij Brill te Leiden. De extra kosten zijn natuurlijk voor mij.
En dan:
193