juist nu hij - de dichter met zijn verleden - vage wegen zocht naar de kern van de Joodse groep.
Straschuns didactiek en Jacob Israëls vlijt leverden echter ondanks alles voorlopig geen imponerende resultaten op.
Het doorschoten exemplaar van Ahawat Zion, de bekende roman van Abraham Mapu (1808-1887) (de dichter schonk het voor zijn vertrek naar Palestina aan Simon Tal; in diens collectie bleef het bewaard) demonstreert in de talloze simpele woordverklaringen en vertalingen de moeilijkheden van een beginner, die ook later een current schrift schreef, dat nooit geroutineerd aandoet en die nimmer een bewijs heeft geleverd het Hebreeuws degelijk te beheersen. Daarnaast zij opgemerkt, dat ook zijn Engels houterig en schoolmeesterachtig aandoet, en dit tot in zijn allerlaatste Palestijnse dagen. En hij wilde juist zo graag Hebreeuws dichter zijn van zijn volk. De sfeer van het lernen vooral oefende op hem, de Jood in hart en nieren, een onweerstaanbare aantrekkingskracht uit. Door de noten van zijn signifische studiën (zijn proefschrift vooral) straalt een kinderlijke liefde voor Judaïstische wetenschap, maar vooral ook voor die enkele bronnen, die hem door een vertaling toegankelijk waren, zoals de tekst van Rashie’s Pentateuch-commentaar in de degelijke bewerking van A. S. Onderwijzer. Sprekende over het telwoord Echad = één, luidt het in zijn dissertatie op pagina 28:
Dit telwoord heeft een meervoudsvorm Achadiem, die gewoonlijk ‘eenige’ beteekent. Volgens de concordantie van Furst komt het in de boeken van het Oude Testament vijf maal voor. Op twee plaatsen is de beteekenis eene zeer merkwaardige. Genesis xi : 1. ‘En de gansche aarde was van eenerlei spraak, en eenerlei woorden.’ En Ezechiël xxxvn : 17. ‘En zij (= twee stukken hout) zullen tot één worden in uwe hand.’ Men raadplege de bespiegelingen van Rashie over dit merkwaardige woord en Gesenius-Kautzsch He-braische Grammatik 28ste Druk bldz. 301. Opm. 1. Wellicht is het juist het woord in Ezechiël als bijvoeglijk naamwoord te beschouwen.
Hier en elders ontkomt de aandachtige lezer niet aan de indruk, dat de naïeve dichter wat epateert met een pas (hoezeer oorspronkelijk) verworven kennis, die dan ook nergens blijk geeft van enige verdieping of verbreding. De Pentateuch-bewerkingen van de rabbijnen Onderwijzer en Vredenburg - typische Nederlandse ‘bal-battische’ boeken - bepaalden het plafond van zijn vrij simpele wijsheden. Tot enige studie van de Joodse wet, tot werkelijke limoed-Thora, kwam hij nooit. Ook niet door het latere
192