De zoon van een gazzen

Titel
De zoon van een gazzen

Jaar
1967

Pagina's
414



breeuws bestuderen; eerst, als de geboren autodidact, voor zichzelf. Aanknopende bij zijn jeugdkennis, zijn ‘girse dejankoese’, die niet zo heel groot was, trachtte hij uit Gesenius-Kautzsch (de 28e druk, Leipzig 1909) de Hebreeuwse grammatica machtig te worden. Het exemplaar - nu in ons bezit - bleef bewaard. Op het schutblad schreef hij fors en vorstelijk zijn naam. Merkwaardig blijft het intussen, dat hij het in deze taal niet ver heeft gebracht, ook al sprak hij het in zijn Palestijnse periode zeer vlot. Aan zijn latere Hebreeuwse leraar J. L. Straschun schreef hij, onder verontschuldigingen, slechts in het Nederlands. Van hun beider signifische, Hebreeuwse bijdrage (‘de eerste ter wereld’, zoals hij ergens opmerkt) in het maandblad Mizrachie (over het moderne gebruik van het Oud-Testamentisch begrip ‘heidad’ = hoezee, cf. o.m. Jeremia 25 : 30) moet de formulering in het Hebreeuws geheel op rekening van Straschun worden gesteld. Zijn wens Hebreeuws Dichter te worden, ging niet in vervulling. ‘Dat ’k U in een Hebreeuwsch Lied danken kon’, heet het machteloos in een kwatrijn tot Ben Jehoeda. Zijn afscheidswoorden in de oude taal bij zijn vertrek klinken ons stuntelig in de oren. En dat bij zulk een begaafd man, na jaren zelfstudie èn lessen.

Toch was het eindoordeel van Straschun in 1919 vleiend, toen de rebbe in goed Hebreeuws formuleerde, dat zijn leerling een man was geweest, die ‘zijn leraar had wijs gemaakt’. Hij, de Oostjood en kenner van onze taal genoot plotseling van een nieuwe schoonheid, die deze Westeuropese dichter hem bewust maakte op lange avonden in het eenvoudige kamertje aan de Burmanstraat te Amsterdam, vlak bij de Weesperzijde, dicht bij de Amstel.

Op nr. 20, twee hoog, woonde daar de ‘einfacher Jied’ met vrouw en kinderen. Jongens, van wie hij later aan De Haan zal schrijven, dat ze goed leren en een schat van een meisje, ‘mooi als een afbeeldsel van de Tempel’. Die kinderen, die thuis Jiddisj spraken en daarbuiten Nederlands, wat Jacob Israël - de eeuwige theoreticus - inspireerde tot studie over de vraagstukken der tweetaligheid.

Hij had het arm, Straschun, niet armer overigens dan vele andere vluchtelingen uit die jaren. Maar temidden van zijn gezin en een paar boeken scheen hij een vorst, die een paar maal per dag zijn genoten opzocht en vond in het sjoeltje aan de Swammerdamstraat, dat toen naar sfeer nog niet verschilde van het Oostjoodse centrum in de Nieuwe Kerkstraat.

Voor zijn rebbe was Jacob Israël van een aandoenlijke en ontwapenende goedheid. Hoezeer ook Straschun (als Albert Verwey) hem bij voortduring strenge ‘moesar’ (= ethiek) preekte en hem dwong tot voorzichtigheid,

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition).
Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen.


Weergave
Afbeelding / Tekst (OCR)

Alle boeken in deze digitale bibliotheek kunt u gratis lezen of downloaden. Met een vrijwillige donatie helpt u ons met het in stand houden en verder uitbreiden van de bibliotheek. Klik hier als u een bijdrage wilt overmaken.