De zoon van een gazzen

Titel
De zoon van een gazzen

Jaar
1967

Pagina's
414



Joden van Nederland een vervelende sjabbesmiddagstemming getekend als in de ruim 30 pagina’s van deze novelle:

Maar als de korte maaltijd ten einde was, viel de loome, trieste verveling weer op allemaal terug... zwaarder nu... om de schemer, die aankwam, en buiten alles verdroevigde, om ’t al dieper-duisterende van de kamer, waar toch geen licht mocht ontstoken worden, vóór wettelijk de Sabbath geëindigd was, vóór er drie sterren zouden in één oogopslag aan den hemel zichtbaar zijn, - en wanneer de sterren uitbleven - als nu met die wolkige winterlucht - vóór de traag-tikkende klok ’t nauwkeurig, voor iedere Sabbath apart, vastgestelde eindmoment zou aanwijzen.

Nu wisten de kinderen heelemaal niet meer, wat ze in den nog restenden tijd van wel ’n uur en langer zouden aanvangen, in die heete, schemerige kamer.

Snel daalde ’t duister, ’t vulde eerst de verste kamerhoeken, kroop dan langzaam-aan tegen de wanden op, dat, ’t een na ’t ander de stoelen en de kast en de klok erin verdompelden. Laatste glansjes, op meubels, op de wijzerplaat, doofden, lijnen gingen te loor, meubel-omtrekken verdoezeld, versmolten zoetjes in ’t al dieper aanzwartende duister, tot alleen de tafel met z’n witte kleed in dat heete donker nog te voorschijn schimmerde. Diep in z’n stoel, naast de kachel, sliep de vader alweer, de rug naar ’t raam, z’n vest losgeknoopt, ’t hoofd achterover. Zachtjes kreunde z’n licht ronken door de duistere kamer. De moeder zat bij de tafel als in afwachting, haar kousevoeten maar steeds broeiend op heete stoof, de sloffen ernaast. Suffig bestaarden haar oogen door ’t gordijnlooze raam de trieste, schemerige achterenden, nog even te onderscheiden over de sloot heen.

Vóór ’t raam stonden de kinderen, tikkelden spelend tegen de ruiten, praatten zacht, ’t Was te donker om te lezen, en daarvan hadden ze nu ook wel al genoeg... maar buiten waren stellig nog wel vriendjes te vinden... gedempt klonken speelkreetjes van de straat af ’t stille huis in. Doch ze wisten ’t, Sjabbes-middag na ’t eten mochten ze niet meer de deur uit. ‘Willen-we ’n beetje onder de tafelspelen!’ fluisterde ’t oudste broertje..., ‘moeder slaapt nou ook al.’

Onder tafel was ’t volslagen duister en met z’n vieren kropen ze daar nu bij elkaar.

Dat was de sfeer geweest van het Jodendom in het Huisje aan de Sloot. Zo was het begrijpelijk, dat de Joden hun wetten gingen veronachtzamen, gelijk hij had gedaan en was blijven doen! Wat was de toekomst van zulk Jodendom! Hij schreef:

189

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition).
Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen.


Weergave
Afbeelding / Tekst (OCR)

Alle boeken in deze digitale bibliotheek kunt u gratis lezen of downloaden. Met een vrijwillige donatie helpt u ons met het in stand houden en verder uitbreiden van de bibliotheek. Klik hier als u een bijdrage wilt overmaken.