A. Aletrino. Beiden Joden, die als zodanig blijkbaar meer begrip konden opbrengen voor het ‘anders’-zijn dezer mensen, dat affectief door de heteroseksuelen ‘op vrijwel dezelfde wijze schijnt te worden verwerkt als het ‘anders’-zijn van andere biologisch-sociologisch- of ethnologisch-onassi-mileerbare minoriteitsgroepen’ (aldus in zijn dissertatie over Shakespeare’s sonnetten en hun verband met de travesti-double spelen de Joodse psychiater C. van Emde Boas anno 1951).
Als zodanig? Bestond er een relatie van Jood-zijn tot het gehele levenspatroon! Jood en mens! Jood en misdadiger! Jood en kunst! Door alle intuïties heen boorde zijn verstand naar vroeger. Wat was dan dat alles naar inhoud geweest: sjoel, tefillin, sjofar. Zij speelden door hem heen de symbolen én de affecten. Zittend op zijn stoel, schrijvende tegen Mr. De Roos, begon hij nuchter te commentariëren:
De Joden hebben jaarlijks twee-en-vijftig Sabbathdagen en ongeveer veertien feestdagen, terwijl vele Joden iederen dag tweemaal naar hunne kerk gaan. De Sabbath begint des Vrijdagsmiddags een paar uur vóór zonsondergang en eindigt des Zaterdagavonds als de dag duister is geworden. En er leeft ongeschreven onder de streng-godsdienstige Joden, die nog altijd de zeer groote meerderheid vormen, een gansche codex van al hetgeen al zoo op Sabbath- en feestdagen niet geoorloofd is. Zij mogen niet buiten de stad komen, zoodat Joodsche families uit de groote steden zich niet kunnen gaan verkwikken in de vrije natuur. Voor hun zenuwgestel acht men dit beslist schadelijk. Botaniseeren mag niet. Tuinarbeid mag niet, evenmin teekenen of handwerken of muziek maken of gymnastiseeren of sport of gaan naar schouwburgen en concerten. Eigenlijk mag er niets. Het is wel opmerkenswaard, dat er door de Joden op die lange avonden absoluut geen alcoholica worden gedronken. Eene verklaring daarvan zou niet gemakkelijk te geven zijn. Er blijft dus niet veel anders over dan lezen. Er wordt dan ook onder de Joden zeer veel gelezen, zoowel Hebreeuwsch (waarvan de kennis echter vermindert, wat wel jammer is, want het is eene mooie taal), als Hollandsch. Dit gevoegd bij een minimaal alcoholgebruik, kan stellig leiden tot hoogere ontwikkeling, waarvoor, dit zij gaarne toegegeven, de aanleg in het ras aanwezig moet zijn.
‘Eigenlijk mag er niets...’ ‘Dit is voortreffelijk beschreven door Mevrouw Carry van Bruggen in hare novelle ‘Sabbathvreugd’, opgenomen in In de schaduw’, aldus de schrijver in het Tijdschrift voor Strafrecht van 1910. Nimmer werd liefdelozer, maar ook aangrijpender, in de letterkunde der
188