de Joden nauw verwant: Perzen en Armeniërs. Wij willen de waarde van dat argument niet betwijfelen noch betwisten, en plaatsen dus onze opmerkingen niet ertegenover, maar er naast.
Wij zouden van de Joden de hoogere ontwikkeling en de eenzijdige beroepskeuze willen terugvoeren op hunnen godsdienst, dus op eenen factor die in eigenlijken zin niet behoort tot het ras en evenmin tot het milieu. En wel de hoogere ontwikkeling op den godsdienst op zich zelven, en de eenzijdige beroepskeuze hierop, dat de Joden als zeer kleine minderheid wonen te midden van volkeren, die andere rust- en feestdagen hebben. Van groot belang is ook het feit, dat zij sinds twintig eeuwen een vervolgd en opgejaagd volk zijn, zoodat Joden niet licht in onveilige landen hun geld zullen beleggen in vaste goederen.
Daarna zijn slechts twee aspecten nog voor ons van waarde: zijn felle afwijzing van Ruppins standpunt over de natuurlijke koopmansgeest der Joden en zijn alinea’s over de godsdienst. Terzake van het eerste probleem wijst de schrijver o.m. op de gildebepalingen, die de Joden wel moesten dwingen tot de handel; Hillesum had hem opmerkzaam gemaakt op de Amsterdamse keuren. Dat het Joodse volk de landbouw niet zou hebben bemind! ‘Daarin is Ruppin dwalend. In de oudste geschiedenis treden de Joden op als landbouwers en veeherders. Palestina wordt hun niet beloofd als een land van ruime havens en ongevaarlijke reeden, maar als een, overvloeiend van melk en milden honing... ’
Veel vroeger had dit vraagstuk hem geboeid en geïrriteerd. Toen de jongens op de Haarlemse Kweekschool hem hadden gepest omdat Joden geen boer konden zijn, was hij - naar een legendarisch verhaal - een landbouw-diploma gaan halen en toen ze er na lange tijd weer over begonnen, bleek hij de enige gediplomeerde boer. Zijn prestaties op het gebied van Landbouwkunde (in de jaren 90 een leervak op de Kweekschool) waren altijd matig geweest.
Veel later zou hij - kort voor zijn vertrek naar Palestina - in het Handelsblad schrijven over Joodse landbouwers, naar aanleiding van een bezoek aan een Joodse groep pioniers, die in Marum werden opgeleid tot jonge Joodse boeren:
Neen: het is niet waar, dat het Joodsche volk naar aard en aanleg ongeschikt voor landbouw zou zijn. In zijn rijkste, gelukkigste dagen was het een landen-verbouwend volk. Onze Feesten waren óók Landbouwfeesten. Wij kenden heilige gebeden om Regen en Dauw.
186