naendts Francken ten aanzien van de Joden. De werkelijke reden is deze, dat, naarmate men in eene stad meer leden vindt, er ook meer gevallen bij de vereeniging worden aangebracht.
Zoeken wij nu naar het thetische deel van Jacob Israëls opvattingen, dan kunnen wij aansluiten bij het reeds aan het begin gestelde: ‘dat de Joden het den criminologen op twee manieren gemakkelijk maken. Ten eerste: doordat zij een tamelijk wel raszuiver volk zijn gebleven, van de omwonende elementen dadelijk te scheiden, en ten tweede, doordat zij in de meest verschillende landen leven onder de meest uiteenloopende maatschappelijke verhoudingen.’
Het is, aldus de schrijver in zijn overigens vaak irriterende, aforistische formuleringen, een wisselwerking van beide factoren, die zowel de positieve als de negatieve zijden van de criminaliteit der Joden kan verklaren. En de voorbeelden die hij ter adstructie vermeldt werpen een vol licht op zijn eigen affecten:
De meeste criminologen kennen de Joden te zeer uitsluitend uit becijferingen, niet uit beschrijvingen en nog minder uit ervaring. Dat b.v. de Joden weinig deelnemen aan vechterijen en grove scheldpartijen, die vaak daaraan voorafgaan, kan zeker gedeeltelijk verklaring vinden in zwakkeren lichaamsbouw, doch die verklaring gaat niet op voor landen, waar de bevolking niet robuster dan de Joden is. En toch is het verschijnsel algemeen. Wij zouden als factoren willen noemen: matigheid in het gebruik van sterke dranken, afkeer van straatschandalen in het gezicht van eene bevolking, die daaraan hare vreugde heeft. Verder, en dit geldt vooral voor vechterijen tusschen Joden en niet-Joden, het feit, dat zij, behalve in sommige wijken van sommige grote steden, wonen als minimale minderheid te midden van eene bevolking, die bij ieder conflict, toch altijd partij kiest tegen hen.
Dat Joden zich meer schuldig maken aan beleediging, staat voor een deel in verband met hunne mindere deelname aan vechterijen. De opgekropte energie moet zich toch uiten. Mr. De Roos brengt dit feit in verband met eene hoogere verstandelijke ontwikkeling. Mij dunkt, dat die juist van strafbare beleediging terughoudt. Wij denken hierbij veeleer aan het groot aantal zenuwpatiënten, dat men onder de Joden vindt. Speciaal schijnen zij zich schuldig te maken aan beleediging van politie-agenten. Geen wonder. De politie-agenten komen deels voort uit de mindere massa, die de
183