Hier te lande bestaat de vereeniging: ‘Onderlinge Vrouwenbescherming’, die zich ten doel stelt stoffelijken en moreelen steun te verleenen aan ongehuwde moeders. In het driejarig tijdperk 1905-1908 behandelde zij 170 gevallen, welke door Dr. C. J. Wijnaendts Francken statistisch bewerkt zijn. De bewerker zegt, dat dit is: ‘een voldoend aantal om van waarde te zijn, waar sprekende cijfers verkregen worden’. Het aantal Israëlietische ongehuwde moeders bleek tweemaal zoo groot te zijn als naar de verhouding in de bevolkingsstatistiek zou mogen verwacht worden. Mogen wij daar nu uit besluiten, dat de zedelijkheid onder de Joden minder is dan onder de niet-Joden? Wij zullen straks eene statistiek geven, die precies het tegendeel zegt. Eerst willen wij aangeven, hoe Dr. Wijnaendts Francken misschien aan zijn eenigszins vreemd eindresultaat is gekomen. Hij heeft bij het bewerken van zijne statistiek niet alle gevallen in het geheele land te zijner beschikking gehad. Uit de statistiek bleek, dat n% van zijne gevallen voorkwamen in Amsterdam, Den Haag, Rotterdam en Middelburg. Deze steden geven dus den doorslag. De Heer Wijnaendts Francken had het percentage der ongehuwde moeders moeten vergelijken niet met het percentage der Joden in het geheele land, maar met het percentage der Joden in de vier genoemde steden of in de gemeenten, waaruit hij gevallen had. Dan zou hij tot het zeer bekende resultaat zijn gekomen, dat de Joden betrekkelijk weinig onechte geboorten hebben.
Hoe verregaande onjuist de statistiek van Dr. Wijnaendts Francken is, blijkt wel uit het feit, dat de Katholieken slechts 20% van de gevallen leverden, terwijl zij toch 55% der bevolking uitmaken. Wijst dit nu op eene hoo-gere zedelijkheid onder de Katholieken? Volstrekt niet: de reden is doodeenvoudig deze, dat de vereeniging: ‘Onderlinge Vrouwenbescherming’ in de Zuidelijke provinciën niet werkzaam is. Zij heeft in Brabant en Limburg geene enkele afdeeling en slechts ééne correspondente te ’s-Hertogen-bosch.
En nu lust het mij eens eene nijdige conclusie te trekken. In Den Haag heeft deze Vereeniging 413 leden en in Amsterdam 186. Den Haag, dat half zoo groot is als Amsterdam, leverde 40% van de ongehuwde moeders en Amsterdam slechts 22%. De conclusie uit die statistiek is dan deze, dat het aantal ongehuwde moeders in eene stad grooter is, niet naarmate de bevolking grooter is, maar naarmate er meer leden van: ‘Onderlinge Vrouwenbescherming’ wonen. De cijfers spreken, want Den Haag heeft ongeveer tweemaal zooveel leden als Amsterdam, en ook tweemaal zooveel gevallen. Vleiend voor den invloed der Vereeniging is die conclusie niet. Gelukkig is zij onjuist, maar niet onjuister dan de conclusie van Dr. Wij-
182