Des rouwt mijn lied. Geen troostwoord kan verzoeten De wreede wroeging der voldreven Daad.
Ik heb geen tranen genoeg om te boeten Wat Daad en droom bedreef aan gretig Kwaad.
Geen troostwoord! Neen, uw woord heeft mij getroost,
‘Israël die misdreef, blijft Israël,
Uw lied houdt glans, die geen Leed dooven kan.’
En dit herdenkend heeft mijn hart gepoosd Van zijn staag leed, van zijn wroegend gekwel,
En mijmerend zing ik dit lied ervan.
Met dit lied (een van zijn nogal zeldzame sonnetten!) sluit zijn eerste bundel; de woorden ervan verplaatsen ons naar de kern van zijn blijvende problemen. Want Jacob Israëls Zionisme loste deze niet op. Om het wezen en de groei ervan te peilen zal het nodig zijn ons te verdiepen in zijn hoogstpersoonlijke tragiek. En - nauw verbonden daaraan - in de signatuur van zijn geheel apart Jodendom, dat maar zeer ten dele met dit Zionisme samenviel, en dat de gesignaleerde vraagstukken evenmin zou kunnen oplossen.
Jodendom, wat hield dat in! Omstreeks dezelfde tijd, dat zijn gedichten in De Beweging verschenen begon de gazzenszoon zich ook theoretisch met het Joodse vraagstuk te occuperen en - naar de vertrouwde snit van zijn ons reeds bekende andere bezigheden - uitermate origineel en degelijk. Zijn al eerder aangehaalde beschouwingen Naar aanleiding van eene crimineele statistiek van de Joden, gepubliceerd in het Tijdschrift voor Strafrecht van 1910 (gevolgd door een zich tot het eind van de volgende jaargang voortslepende polemiek met Mr. J. R. B. de Roos) verschaffen ons een unieke kijk op zijn toenmalige inzichten, opvattingen en de mate van zijn kennis. Wij hebben hierbij aan te tekenen, dat omstreeks 1910 het Zionisme in Nederland een vaste greep had gekregen op vele Joodse intellectuelen en daaronder ook begaafde studenten aan de Nederlandse Universiteiten en Hogescholen. De N.Z.S.O. was na het Haagse Zionistencongres ontstaan en haar eerste Zionistisch Studenten Jaarboekje was in 1909 verschenen. Andere denkbeelden dan hij zelf in zijn jeugd had leren kennen, werden nu ook rondom hem gepropageerd. Maar wat hem nóg belangwekkender moet hebben geschenen: in deze kringen werden zijn liederen het sterkst gewaardeerd. Hij - de theoreticus par excellence - kwam tot nieuwsgierige studie en be-
179