omgevende wereld. Voorlopig had dat niet veel uitgehaald. Vreemde instincten hadden daarnaast en daarna hem een Joodse substantie geopenbaard, waarvan hij het bestaan niet had vermoed en het wezen nauwelijks had herkend. De ‘Sjeidem’ waren gekomen en met hen vage herinneringen aan oude Joodse legenden, riten, symbolen. In hun verwoording had Al-bert Verwey het Joodse dichterschap geproefd en Jacob Israëls poëzie was in De Beweging opgenomen.
Het is De Haans grote geluk geweest omstreeks de jaren 1910 Joodse gedichten te hebben geschreven, die werden verstaan. Hem was het beschoren een publiek te vinden, dat zijn poëzie gulzig in zich opnam. Het is de relatie tot de werkelijkheid, die bepalend is voor ieder dichter. Iedere ware poëzie immers streeft naar die verstaanbaarheid, welke een bewuste verbinding te weeg kan brengen tussen de dichter en zijn auditorium. Hoe individueel ook de scheppingsdrang van de kunstenaar moge zijn, de normen, die hem bepalen, worden in laatste instantie ontleend aan de wil, om door de scheppingsdaad een gedurige betrekking tot stand te brengen tussen de kunstenaar en zijn publiek. Het is deze werkelijkheid, waarvan de Joodse dichter uitgaat gedurende het Galoeth.
Problematisch wordt het Joodse dichterschap in de diaspora eerst, wanneer de dichter van Joodse origine zich een speciale roeping bewust wordt. Dan immers zal de werkelijkheid, waarin hij leeft, moeten vervangen worden door een ervaringsgebied, dat in een onwerkelijk levensbeeld zweeft. In de plaats van het landschap, waarvan de schoonheid hem doet huiveren, treedt het enige territorium, waar de Jood, die zich in ballingschap weet, zich thuis kan voelen: de geschiedenis van zijn volk. Het reële grondgebied maakt plaats voor een historisch tijdsbeeld, waarin de scheppende kunstenaar slechts van uit dat, wat eens was, de hunkering naar een toekomst levend kan houden.
Er bestaat slechts één mogelijkheid voor de Joodse dichter, om uit het ervaringsgebied van zijn historie de weg te vinden tot zijn auditorium. Dat is, wanneer dit auditorium, evenals de dichter zelf, het verlangen naar een Joodse toekomst als een reële behoefte ondergaat. Zó bezien moeten wij omstreeks 1910 het dichterschap van Jacob Israël de Haan beschouwen. Zijn schoonste liederen vonden de weg naar dat deel van het Joodse volk in Nederland, dat, evenals hij, de verlossingsbeweging als noodzakelijk en reëel beschouwde.
Heerlijk moet het voor hem geweest zijn poëzie te kunnen brengen aan een Joodse generatie, waarvan hij voordien het bestaan nauwelijks kende. 1-12-1912 schrijft hij aan Van Eeden:
174