toedoen had zijn vriend Mr. Izak Prins in De Beweging mogen publiceren over De Joden en de oorlog. Zelf was hij opgetreden in ‘Tijdzangen’, die ons brengen naar het patroon van een evoluerend Joods dichterschap, dat niet was blijven stil staan bij het Joodse Jaar en evenmin bij de Zionistische symbolen of vrienden. De grote gedichten, waarmee de eerste bundel eindigt, stammen (met uitzondering van Verstrooiing, De Gids 1910, Demonen, De Beweging 1911 en het zeer persoonlijke slotlied) alle uit 1914 en 1915. Zij ademen een aparte geest, door hemzelf abrupt gesteld: ‘Een dichter spreekt voor zijn Volk’.
Het was wederom een Joodse poëet, die zich - als de Da Costa van de jaren na 1840 - tot de wereld wendde. Wiens levensgang als het ware met de tijd was vergroeid - de tijd als grondcategorie der historie, maar niet minder als aparte dimensie van een oud-testamentisch profetendom. Zeker, er liggen werelden tussen de Sefardische parnaszoon van 1800 en de Zaanse gazzenszoon van 1900. Maar in de kern klonk hun geluid eender. Beide dichterlijke fenomenen treffen ons door een wijsgerige eenheid van dichten en denken, die een noodzakelijke voorwaarde moet worden geacht voor het profeteren over komende tijden. Naar de aard van hun persoonlijkheid scheidde Bernard Verhoeven beide figuren toen hij schreef:
‘De poëzie van Jacob Israël de Haan vertegenwoordigt een eigen facet in de Nederlandse dichtkunst. Het is enerzijds een hervatting van de toon van Da Costa in een nieuwe toonaard, van brandend heimwee en soms profetische adem - anderzijds een directe, naakte eerlijkheid met een schrijnend accent, dat zeldzaam is in onze letteren. En het aangrijpend wisselspel tussen beide...’
Naar de structuur hunner Jodendomsopvattingen ligt er tenslotte nog een andere caesuur. Wat voor Da Costa na 1822 werd omgeven met de sfeer van een nationaal-Joods Christendom dat was voor Jacob Israël de Haan een werkelijke toekomst in eigen land. Beiden hoorden duidelijk de stem van Jeruzalem, maar Jacob Israël was het vergund zich een biljet te verschaffen voor een enkele reis.
Zo gezien lijkt zijn Joodse ontwikkelingsgang nogal revolutionair. Wij verlieten hem toen hij juist zijn aarzelende stappen had gezet op het pad naar De Beweging. Joodse problematiek, die hem aanvankelijk in de richting van het Socialisme had gedreven en zelfs naar een romantisch Christendom, had hem iets, niet veel, geleerd van grenzen tussen de Jood en de hem
173