verleden kon vergeten en zijn toekomst kon vermijden, dan zou het heden nog wel eenige waarde hebben.’
Hadden zijn vijanden terecht de nadruk gelegd op de gevaarlijke gespletenheid van deze man, die daar straks op de katheder van de Amsterdamse Universiteit de ethische normen zou moeten doceren van het strafrecht? Albert Verwey moet het ook in dit beslissende stadium hebben gevoeld. Want de wijsgeer-jurist, die tijdschriften volschrijft over strafrechtelijke significa is in 1915, 1916 en 1917 bezig met zijn homo-erotisch gedicht Een Nieuw Carthago. Verwey achtte de plaatsing in 1917 - zoals wij al weten - niet opportuun. Maar De Haan bleef hameren op publiceren. ‘Ik heb een groot gedicht voltooid: “La Nouvelle Carthago” een phantasie over een boek van Eekhoud Ik ben daar zelf heel tevreden over en hoop het u te zenden’, had hij 5-12-1915 reeds geschreven. Afgezien van de inhoud had de naam van Eekhoud Verwey pijnlijk herinnerd aan de onzalige dagen van Pathologieën. De Joodse dichter had in zijn brieven naar Noordwijk van zijn persoonlijke gevoelens op dit punt dan ook geen geheim gemaakt. Op 9-4-1917 schrijft hij Verwey:
‘Ik ben benieuwd welke gedeelten uit ‘Nieuw Carthago’ u kiezen zult. Wanneer zal Eekhoud het gedicht te Brussel lezen? En zoo zijn mijne gedachten weder gekomen waar zij toch altijd zijn.’
Als de zaak van het professoraat acuut is, meldt Jacob Israël eenmaal naar Noordwijk (6-10-1917): ‘Het Nieuw Carthago kan wel wachten... ’
In 1919 verscheen het tenslotte te ’s-Gravenhage - zonder vermelding van uitgever - in een fraaie (door hem zelf bekostigde?) editie, met als colo-phon: Uitgegeven in een oplage van ccxx exemplaren, door J. van Krimpen, Fahrenheitstraat No. 519, ’s-Gravenhage. Gedrukt te Amersfoort bij G. J. van Amerongen.
Het slot bracht hem en brengt ons - in het jaar van zijn Alija - terug naar de dagen van 1904 en 1908.
Hoe zalig heeft mijn lied Loïet bezongen Voerder der Libertijnen zijner Stad.
Wiens teedre lust geen noodlot heeft bedwongen Toen hij tartend het schouw schavot betrad.
En als Loïet Laurent, wiens dartel dolen Hem voerde ver van huis en vaderhof.
Die vierde vreugden, fel en onverholen,
Oovral waar hij vreugden te vieren trof.
161